ECLI:NL:CRVB:2026:890

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
24/339 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Raad van 23 augustus 2022, waarin de verlaging van zijn bijstand wegens een bedreiging werd bevestigd. De Raad beoordeelt dat het verzoek niet voldoet aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden.

Verzoeker stelde dat onjuiste informatie door het dagelijks bestuur tijdens de zitting was verstrekt, maar dit werd niet als nieuw feit erkend. Ook pogingen om de geloofwaardigheid van het dagelijks bestuur en de medewerkster die aangifte deed aan te vechten, werden als een hernieuwde discussie over de zaak beschouwd, wat niet mogelijk is via herziening.

Daarnaast heeft verzoeker een schadevergoeding gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad constateert dat de behandeling van het herzieningsverzoek ruim tien maanden langer dan de toegestane termijn heeft geduurd, en kent daarom een vergoeding van €1.000 toe, te betalen door de Staat.

Het verzoek om herziening wordt afgewezen, waardoor de eerdere uitspraak in stand blijft. Verzoeker ontvangt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen en een schadevergoeding van €1.000 wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

24/339 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2022, 20/3892 PW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 7 juli 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een eerdere uitspraak van de Raad. Verzoeker heeft redenen aangevoerd waarom de Raad die uitspraak moet herzien. De Raad is van oordeel dat daarin geen feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten liggen. De Raad wijst het verzoek daarom af. Wel krijgt verzoeker een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft op 23 augustus 2023 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2022, 20/3892 PW.
Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke reactie ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 mei 2026. Verzoeker is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.J.P. van der Zalm.
Op de zitting heeft verzoeker gevraagd om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding hiervan heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Het dagelijks bestuur heeft met de besluitvorming, die uiteindelijk heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, de bijstand van verzoeker bij wege van maatregel vanaf 1 augustus 2018 voor de duur van één maand met 100% verlaagd. Het dagelijks bestuur had die maatregel opgelegd, nadat een medewerkster van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (X) aangifte tegen verzoeker had gedaan van bedreiging. Het dagelijks bestuur vond het, gelet op de inhoud van de aangifte van 22 augustus 2018, aannemelijk dat verzoeker X had bedreigd.
1.2.
De rechtbank heeft deze besluitvorming van het dagelijks bestuur met een uitspraak van 7 oktober 2020 in stand gelaten.
1.3.
Met de uitspraak van 23 augustus 2022 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Het standpunt van verzoeker

2. Wat verzoeker ter onderbouwing van zijn herzieningsverzoek naar voren heeft gebracht, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

3. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat om de onherroepelijk geworden uitspraak van 23 augustus 2022 te herzien. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die verzoeker in zijn verzoek om herziening heeft aangevoerd, de gronden van herziening. Daarnaast beoordeelt de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad komt tot het oordeel dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen, maar dat het verzoek om schadevergoeding wel moet worden toegewezen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De regels die voor de beoordeling van het herzieningsverzoek en het verzoek om schadevergoeding belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Herziening
3.1.
De Raad stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is bedoeld om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen als is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Herziening kan dus alleen plaatsvinden als er feiten en omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, die verzoeker niet bekend waren en ook niet bekend konden zijn en – als ze voor de uitspraak wel bekend zouden zijn geweest – tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden.
3.2.
Wat verzoeker aanvoert, komt er in de eerste plaats op neer dat de gemachtigde van het dagelijks bestuur de Raad tijdens de zitting op 29 juli 2022 van onjuiste informatie heeft voorzien. Deze gemachtigde heeft toen namelijk verklaard dat verzoeker was veroordeeld wegens bedreiging van de burgemeester van [plaats], wat niet zo was. Verzoeker wijst er hierbij op dat zijn klacht daarover door het dagelijks bestuur gegrond is verklaard. Dit is niet een nieuw feit of nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb. Als de Raad destijds wist dat de informatie van de gemachtigde van het dagelijks bestuur over de strafrechtelijke veroordeling onjuist was, dan had dat namelijk niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. Immers, alleen de aangifte van X lag aan de maatregel ten grondslag. Tijdens de zitting op 29 juli 2022 heeft de Raad daar ook op gewezen. Dat verzoeker, zoals hij ter zitting heeft gesteld, zich niet kan voorstellen dat de onjuiste informatie van de gemachtigde van het dagelijks bestuur geen rol bij de oordeelsvorming van de Raad heeft gespeeld, maakt dat niet anders.
3.3.
Wat verzoeker verder heeft aangevoerd, met verwijzing naar een groot aantal stukken, die geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, komt erop neer dat het dagelijks bestuur en zijn medewerkers niet betrouwbaar en niet geloofwaardig zijn, dat het dagelijks bestuur op basis van de geloofwaardigheid van één medewerkster voor eigen rechter heeft gespeeld, dat X bij haar aangifte heeft gelogen en dat verzoeker haar niet heeft bedreigd, maar dat niet kan bewijzen. In feite wil verzoeker hiermee een hernieuwde discussie voeren over de inhoud van de zaak en de uitspraak van 23 augustus 2022. Uit wat hiervoor in 3.1 is overwogen, volgt dat het middel van herziening daartoe niet kan strekken.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4. Verzoeker heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
4.1.
Of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van partijen gedurende de gehele rechtsgang.
4.2.
De behandeling van een herzieningsverzoek in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb mag volgens vaste rechtspraak in beginsel ten hoogste twee jaar duren. [1] De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. In beginsel, en ook in dit geval, is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.3.
Volgens de beschikbare gegevens is het verzoek om herziening op 23 augustus 2023 op de griffie van de Raad ontvangen. Vanaf dat moment tot aan de datum van deze uitspraak, zijn twee jaar en ruim tien maanden verstreken. De redelijke termijn is in dit geval dus met ruim tien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-, die voor rekening komt van de Staat.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van 23 augustus 2022 in stand blijft.
5.2.
Het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Dit betekent dat verzoeker een schadevergoeding van € 1.000,- krijgt.
6. Omdat het herzieningsverzoek wordt afgewezen, krijgt verzoeker geen vergoeding voor zijn proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • wijst het verzoek om herziening af;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:119, eerste lid
De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6, eerste lid
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2435.