ECLI:NL:CRVB:2026:845

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/2468 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid op 45,80% door UWV

Appellant, die zich ziekmeldde wegens lichamelijke en psychische klachten, betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV op 45,80% per 25 januari 2022. Hij stelde dat hij meer beperkingen had en niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. Het UWV baseerde zijn besluit op medisch onderzoek door een arts en een arbeidsdeskundige, waarbij een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook aanvullende medische informatie was betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen gemotiveerd toegelicht, inclusief de psychische belastbaarheid en medicijngebruik. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar kon hij dit niet onderbouwen met nieuwe medische gegevens. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de toekenning van de WIA-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op 45,80%.

Uitspraak

25/2468 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2025, 24/5815 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 25 januari 2022 heeft vastgesteld op 45,80%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Toughza, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.F. Remmers, kantoorgenoot van mr. Toughza. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker voor gemiddeld 38 uur per week. Op 28 januari 2020 heeft appellant zich ziekgemeld wegens lichamelijke en psychische klachten. Tijdens de ziekteperiode is tijdelijk sprake geweest van gedeeltelijke werkhervatting in lichte werkzaamheden bij zijn voormalige werkgever. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft, en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 september 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk en heeft voor hem functies geselecteerd. Op basis van de geselecteerde functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 41,57%. Het Uwv heeft bij besluit van 28 oktober 2022 aan appellant per 25 januari 2022 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit 28 oktober 2022. Bij beslissing op bezwaar van 26 januari 2023 heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen gronden heeft ingediend. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld. Tijdens de beroepsprocedure heeft het Uwv besloten het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2022 alsnog inhoudelijk te beoordelen. Appellant heeft op 28 december 2022 gronden van bezwaar ingediend.
1.3.
Bij besluit van 26 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 juni 2024 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juli 2024 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 25 juni 2024 een aantal aanvullende beperkingen opgenomen in de FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens beoordeeld of de geselecteerde functies nog passend zijn voor appellant en geconcludeerd dat een aantal functies moet komen te vervallen. Hiervoor in de plaats zijn nieuwe functies geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 25 januari 2022 vastgesteld op 45,80%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is, samengevat, van oordeel dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Zowel de primaire arts van het Uwv als de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien tijdens een spreekuurcontact. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellant in bezwaar overgelegde medische informatie van onder meer de huisarts in de heroverweging betrokken. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met rapporten van 7 februari 2025, 18 april 2025, 8 juli 2025 en 25 september 2025 gereageerd op de door appellant ingebrachte medische gegevens. Uit het dossier blijkt niet dat relevante medische informatie van rond de datum in geding van 25 januari 2022 buiten beschouwing is gebleven. In de FML van 25 juni 2024 zijn voor appellant diverse beperkingen aangenomen wegens zijn lichamelijke en psychische klachten. Appellant is onder meer beperkt voor het beroepsmatig besturen van een voertuig, tillen, dragen, zitten, staan en boven schouderhoogte actief zijn. Appellant is blijkens de FML aangewezen op werk waarbij veelvuldig vertreden mogelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 juni 2024 voldoende toegelicht waarom niet meer beperkingen worden aangenomen voor de lichamelijke klachten. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde psychische belastbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tijdens het psychisch onderzoek op 25 juni 2024 geconstateerd dat de psychische klachten van appellant zijn toegenomen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep komen er echter geen aanwijzingen naar voren dat de psychische belastbaarheid van appellant op de datum in geding onjuist is vastgesteld. De rechtbank heeft dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat voldoende rekening is gehouden met het medicijngebruik van appellant door een beperking aan te nemen voor beroepsmatig vervoer en autorijden, en dat er geen grond is om een urenbeperking aan te nemen voor appellant.
2.1.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 25 juni 2024, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juli 2024 inzichtelijk gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 25 januari 2022 terecht heeft vastgesteld op 45,80%.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het Uwv zijn lichamelijke en psychische klachten heeft onderschat. Appellant acht zich volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. De primaire arts heeft ten onrechte geoordeeld dat de situatie van appellant binnen één jaar zal verbeteren. Hierdoor is volgens appellant het medisch onderzoek onzorgvuldig. Appellant acht zich medisch niet in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten omdat hij zowel bij het zitten als het staan beperkingen ondervindt en ook het lopen gepaard gaat met aanzienlijke pijn in de onderrug en benen. Appellant heeft verder aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom uitsluitend een beperking voor autorijden is aangenomen wegens zijn medicijngebruik, en bijvoorbeeld niet ook voor het werken met machines.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft verwezen naar het rapport van de primaire arts van 22 september 2022 en de rapporten die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in bezwaar en in beroep heeft opgesteld. Hierin is uitgebreid toegelicht welke beperkingen aan de orde zijn op basis van de eigen bevindingen van de artsen van het Uwv en de ingebrachte medische informatie. Aangezien appellant per 25 januari 2022 niet volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de duurzaamheid van de beperkingen. [1]

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 januari 2022 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn medische beperkingen, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door het Uwv en de vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de FML van 25 juni 2024. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt hieraan het volgende toegevoegd.
5.3.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het medisch onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is omdat de primaire arts heeft gerapporteerd dat voor de medische situatie van appellant binnen één jaar nog een verbetering wordt verwacht. Deze uitgesproken verwachting van de primaire arts doet niets af aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 juni 2024 bovendien terecht opgemerkt dat een beoordeling van de duurzaamheid van de beperkingen niet aan de orde is, aangezien appellant niet volledig arbeidsongeschikt wordt geacht.
5.4.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat, maar hij heeft dit niet onderbouwd met nadere medische stukken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is met de rugklachten van appellant voldoende rekening gehouden door hem beperkt te achten voor rugbelastende werkzaamheden. Hierbij heeft hij overwogen dat in de laatste informatie van de anesthesioloog uit 2023 (ruim na datum in geding) duidelijk is dat er inmiddels sprake is van een chronisch pijnsyndroom, dat is geadviseerd om tijdcontingent op te bouwen in belasting en dat de pijn een aandoening op zichzelf is geworden en niet zozeer een symptoom van een ernstig onderliggend probleem. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 juni 2024 toegelicht dat in beide gevallen, voor rug- en pijnklachten, mobiliseren en enige rugbelasting niet is gecontra-indiceerd. Wel heeft hij aanleiding gezien voor een aanvullende beperking in langdurig staan. Dit omdat langdurige statische houdingen met name een overbelasting van rugspieren kunnen veroorzaken. Dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder verwijzing naar het advies conform ‘Rij veilig met medicijnen’, voldoende gemotiveerd dat appellant wegens het onregelmatige gebruik van één bepaald medicijn beperkt wordt geacht voor chauffeursfuncties en autorijden. Voor de overige medicijnen van appellant is geen aanleiding gezien om beperkingen aan te nemen wegens bijwerkingen. Er komen namelijk geen ernstige bijwerkingen naar voren uit het dagverhaal van appellant of in de anamnese.
Arbeidskundige beoordeling
5.5.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 25 juni 2024, heeft de rechtbank ook terecht geoordeeld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45,80%, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) A.A. Verweij

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 2 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2.