ECLI:NL:CRVB:2020:2
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WGA-uitkering met arbeidsongeschiktheid van 54,86%
Appellante, werkzaam als beslag- en executiemedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt was met een mate van 54,86%, en keerde een WGA-uitkering uit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat haar beperkingen, mede door borderlinepersoonlijkheidsstoornis en ADHD, niet juist waren weergegeven. Zij stelde zich duurzaam volledig arbeidsongeschikt en ongeschikt voor de geselecteerde functies. Het UWV handhaafde het standpunt dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat medicatiegebruik geen extra beperkingen veroorzaakte.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. De GAF-score uit de behandelende sector werd niet als doorslaggevend beoordeeld. Ook werd bevestigd dat appellante geschikt was voor de geselecteerde functies. De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 54,86% is vastgesteld en dat appellante niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een WGA-uitkering toekent met een arbeidsongeschiktheid van 54,86%.