ECLI:NL:CRVB:2026:843

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
24/2624 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 4 lid 3 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen

Appellante diende een tweede aanvraag in voor een Wajong-uitkering op 15 augustus 2022, met het argument dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen had vanwege toegenomen medische klachten, waaronder epilepsie. Het Uwv voerde een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uit en concludeerde dat het arbeidsvermogen ontbrak, maar dat deze situatie niet duurzaam was.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het Uwv voldoende had gemotiveerd dat appellante nog werknemersvaardigheden kan ontwikkelen. De Raad volgde dit oordeel en benadrukte dat duurzaamheid betekent dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Het Uwv hoefde niet te bewijzen dat appellante in de toekomst arbeidsvermogen zal hebben, maar moest aannemelijk maken dat dit niet uitgesloten is.

Appellante voerde aan dat zij wegens excessief ziekteverzuim niet belastbaar was, maar dit werd niet onderbouwd met medische gegevens en daarom verworpen. De Raad concludeerde dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was en bevestigde het bestreden besluit, waardoor appellante geen Wajong-uitkering ontvangt.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.

Uitspraak

24/2624 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 oktober 2024, 23/4221 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op 15 augustus 2022, de dag dat de tweede aanvraag is ontvangen, (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft bij brief van 13 maart 2026 aanvullende gronden ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Velthorst. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1999, heeft met een door het Uwv op 12 juni 2018 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Het Uwv heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat appellante op haar achttiende verjaardag, [geboortedatum] 2017, niet over arbeidsvermogen beschikt, maar deze situatie niet duurzaam is. Bij besluit van 30 augustus 2018 heeft het Uwv de aanvraag om Wajong afgewezen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
Op 15 augustus 2022 heeft appellante wegens toegenomen medische klachten een tweede aanvraag om Wajong-uitkering ingediend. Vermeld is dat appellante vier jaar heeft gewacht met het opnieuw aanvragen van uitkering, omdat zij wilde proberen te werken. Zij heeft een toename van de epilepsie ervaren en heeft met regelmaat last van aanvallen. Zij heeft een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Bij de aanvraag is onder meer informatie gevoegd van een psychologisch onderzoek van 3 oktober 2019, uitslagen van onderzoeken van ’s Heeren Loo van 19 januari 2019, een psychologisch rapport van stichting Epilepsie Instellingen Nederland (SEIN) van 17 mei 2013 en van 14 en 19 oktober 2022. Verder is een verpleegkundig verslag van 1 november 2022, een indicatiebesluit CIZ van 24 augustus 2021 en een rapport van Trajectum (ambulante zorg) van 25 oktober 2022 meegestuurd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 12 januari 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.3.
Bij besluit van 25 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het arbeidsvermogen ontbreekt omdat appellante niet over werknemersvaardigheden beschikt, maar dat appellante dit in de toekomst nog kan ontwikkelen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat appellante nog arbeidsvermogen kan ontwikkelen. De verzekeringsartsen hebben gewezen op het verband tussen de epilepsie en de psychische klachten van appellante. Uit de informatie van SEIN hebben de verzekeringsartsen afgeleid dat de psychische klachten behandelbaar zijn. Als deze verminderen en de stressklachten verminderen, dan is het goed voorstelbaar dat dit een gunstige invloed zal hebben op de epilepsie. Gezien de ernst van de problematiek, de ervaren lijdensdruk en de toename van somatische klachten, in combinatie met de kwetsbaarheid van appellante vanuit de jarenlange doorgemaakte traumatische ervaringen en daardoor ontstane beschermingsmechanismen, wordt een langdurige intensieve psychotherapeutische behandeling en betrokkenheid van een multidisciplinair behandelteam (psychotherapeut, vaktherapeut, systeemtherapeut en maatschappelijk werker) geadviseerd. Volgens het Uwv beschikt appellante niet over basale werknemersvaardigheden omdat de spannings- en stemmingsklachten mede vanwege onderhoudende stresserende factoren dermate op de voorgrond staan, dat bij oplopende spanning vermijding en toename van de lichamelijke klachten optreedt. Daardoor is appellante niet in staat afspraken te maken. Therapieën kunnen ervoor zorgen dat appellante meer activiteiten buitenshuis kan ontwikkelen. Vermijdingsangst zal dan minder worden, waardoor het niet is uitgesloten dat appellante basale werknemersvaardigheden kan ontwikkelen. De rechtbank volgt deze toelichting, omdat deze in overeenstemming is met de medische stukken in het dossier en appellante er geen andersluidende medische stukken tegenover heeft gesteld.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft daartegen aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het Uwv heeft gevolgd. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat appellante nog werknemersvaardigheden kan ontwikkelen. Verder is appellante in verband met excessief ziekteverzuim door epilepsie niet gedurende vier uur per dag belastbaar en niet in staat een uur per dag aaneengesloten te werken.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5.2.
Niet in geschil is dat appellante op 15 augustus 2022 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat zij voldoet aan de voorwaarde dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
5.3.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [1] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [2] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet WIA [3] kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn. [4]
5.4.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
5.5.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd dat het arbeidsvermogen van appellante op 15 augustus 2022 niet duurzaam ontbreekt. Appellante heeft in hoger beroep de eerder ingediende gronden gehandhaafd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.6.
De beroepsgrond dat appellante niet in staat is vier uur activiteiten te vervullen en niet in staat is een uur aaneengesloten te werken, omdat sprake is van excessief ziekteverzuim in verband met epilepsie, slaagt niet. Appellante heeft deze grond niet met medische gegevens onderbouwd. De stelling dat sprake is van een verhoogd ziekteverzuim van tenminste 30% en dat het niet reëel is om te veronderstellen dat appellante belastbaar is voor vier uur per dag en een uur aaneengesloten kan werken, berust niet op medisch objectiveerbare gegevens en wordt daarom niet gevolgd.
5.7.
Gelet op rechtsoverweging 5.1 tot en met 5.6 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van appellante op 15 augustus 2022 niet duurzaam was en dat appellante daarom niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
2.Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
3.Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA.
4.Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.