Uitspraak
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten hebben op 28 december 2021 algemene bijstand en bijzondere bijstand voor reiskosten aangevraagd. Appellant werkte sinds september 2021 tien uur per week bij een rijschool, maar verklaarde daarnaast extra werkzaamheden te verrichten, zoals acquisitie en gratis lessen geven. Deze extra werkzaamheden werden niet onderbouwd met administratie of boekhouding.
Het college wees de aanvragen af omdat de extra werkzaamheden als op geld waardeerbaar werden beschouwd, maar niet konden worden vastgesteld wegens gebrek aan controleerbare gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn gronden zonder nieuwe onderbouwing. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees op het ontbreken van bewijs voor de extra werkzaamheden. De redelijke termijn was met ruim vier maanden overschreden, maar een aanvullende schadevergoeding werd afgewezen.
De Raad wees het hoger beroep af en liet de eerdere schadevergoeding van €500,- in stand. Appellanten krijgen geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen wegens ontbreken van bewijs voor extra werkzaamheden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.