ECLI:NL:CRVB:2026:827

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
24/1087 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand wegens ontbreken bewijs extra werkzaamheden

Appellanten hebben op 28 december 2021 algemene bijstand en bijzondere bijstand voor reiskosten aangevraagd. Appellant werkte sinds september 2021 tien uur per week bij een rijschool, maar verklaarde daarnaast extra werkzaamheden te verrichten, zoals acquisitie en gratis lessen geven. Deze extra werkzaamheden werden niet onderbouwd met administratie of boekhouding.

Het college wees de aanvragen af omdat de extra werkzaamheden als op geld waardeerbaar werden beschouwd, maar niet konden worden vastgesteld wegens gebrek aan controleerbare gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn gronden zonder nieuwe onderbouwing. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees op het ontbreken van bewijs voor de extra werkzaamheden. De redelijke termijn was met ruim vier maanden overschreden, maar een aanvullende schadevergoeding werd afgewezen.

De Raad wees het hoger beroep af en liet de eerdere schadevergoeding van €500,- in stand. Appellanten krijgen geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen wegens ontbreken van bewijs voor extra werkzaamheden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Uitspraak

24/1087 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 maart 2024, 23/2617 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (college)
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: C.C.M. van ‘t Hol
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juni 2026. Voor appellanten is verschenen mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.T. Hagebols.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Op 28 december 2021 hebben appellanten algemene bijstand aangevraagd. Op diezelfde datum hebben appellanten ook bijzondere bijstand voor reiskosten aangevraagd. Bij de aanvragen hebben appellanten een arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat appellant sinds 1 september 2021 werkzaam is bij [naam rijschool] voor tien uur per week. Tijdens een gesprek op 3 februari 2022 heeft appellant onder meer verklaard dat hij naast de tien uur die hij betaald kreeg ook nog de nodige andere werkzaamheden verrichtte voor [naam rijschool] , zoals acquisitie op sociale media en het geven van gratis online verkeers-, theorie- en taallessen. Appellant heeft desgevraagd verklaard drie tot vijf uur per dag reclame te maken voor het bedrijf. Tijdens dat gesprek heeft appellant ook gezegd dat hij over die extra werkzaamheden geen bewijzen zal aanleveren.
2. Met twee afzonderlijke besluiten van 10 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 21 maart 2023 (bestreden besluit), heeft het college de beide aanvragen afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 1 september 2021 en in ieder geval vanaf de datum melding meer werkzaamheden heeft verricht voor [naam rijschool] dan de tien uur per week die hij had opgegeven. Die werkzaamheden kunnen volgens het college worden gezien als op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellant heeft geen controleerbare gegevens of administratie ingeleverd met betrekking tot deze werkzaamheden, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
3. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat appellant meer werkzaamheden heeft verricht voor [naam rijschool] dan de tien uur per week waarvoor hij betaald heeft gekregen. Deze extra werkzaamheden zijn op geld waardeerbare werkzaamheden, die voor het recht op bijstand van belang zijn. Ten aanzien van de omvang van die extra werkzaamheden die volgens appellant, anders dan uit het gespreksverslag volgt, slechts drie tot vijf uur per week behelsden, heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen nadere informatie heeft verstrekt over de aard en de omvang van die extra werkzaamheden, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.
Aan de omstandigheid dat appellanten in hun vorige woonplaats wel aanvullende bijstand kregen, kunnen appellanten volgens de rechtbank geen rechten ontlenen.
De rechtbank heeft het college veroordeeld tot vergoeding aan appellanten van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de overschrijding van de redelijke termijn volledig toegerekend aan de bezwaarfase en heeft de schadevergoeding bepaald op € 500,-.
4. De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Hij voegt daar nog aan toe dat appellanten ook in hoger beroep geen administratie of boekhouding hebben overgelegd van de door appellant (extra) verrichte werkzaamheden en activiteiten. Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen, ook niet schattenderwijs.
Overschrijding redelijke termijn
5. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1]
5.1. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst op 14 februari 2022 door het college van het bezwaarschrift van appellanten tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim vier maanden verstreken. In de zaak zelf en in de opstelling van appellanten zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim vier maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-. Omdat de rechtbank voor de overschrijding van de redelijke termijn al een bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding heeft toegekend, hebben appellanten geen recht op een aanvullende schadevergoeding.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) C.C.M. van 't Hol (getekend) A.M. Overbeeke

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.