ECLI:NL:CRVB:2026:819

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
25/1088 Wajong
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 4, derde lid, Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen

Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan wegens acuut nierfalen en stelde dat hij op 26 juli 2023 duurzaam geen arbeidsvermogen had. Het Uwv weigerde de uitkering omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak, een standpunt dat de rechtbank Rotterdam bevestigde. De rechtbank oordeelde dat ondanks de ernstige nierklachten en de noodzaak van een niertransplantatie, er nog perspectief was op herstel binnen tien jaar, waardoor geen sprake was van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met de risico’s en blijvende beperkingen na een niertransplantatie en met psychische klachten. Hij overhandigde een medische verklaring waarin werd gesteld dat herstel onrealistisch is en blijvende beperkingen blijven. Het Uwv stelde daartegen dat binnen tien jaar arbeidsvermogen kan ontstaan en dat appellant basale werknemersvaardigheden zal bezitten.

De Raad volgde het Uwv en de rechtbank, benadrukkend dat duurzaamheid betekent dat geen perspectief op herstel bestaat. Omdat er een geringe kans op herstel binnen tien jaar is, is het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam. De Raad bevestigde daarom de weigering van de Wajong-uitkering en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat het arbeidsvermogen van appellant niet duurzaam ontbrak.

Uitspraak

25/1088 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2025, 24/9077 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op 26 juli 2023 (de dag dat hij studerend was) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat het arbeidsvermogen bij appellant niet duurzaam ontbreekt.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Idrissi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft met een door het Uwv op 17 augustus 2023 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat hij tijdens zijn studie op 26 juli 2023 is uitgevallen wegens acuut nierfalen. Het Uwv heeft vervolgens een onderzoek verricht door een arts en arbeidsdeskundige. Deze hebben geconcludeerd dat appellant weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 30 oktober 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 18 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat vanwege zijn nierklachten zijn arbeidsvermogen zich in de toekomst niet kan ontwikkelen. Hoewel de nierklachten van appellant ernstig zijn en zijn behandelaar de behandelingen als levensverlengend aanmerkt, staat daarmee niet vast dat er geen mogelijkheid bestaat voor appellant om in de toekomst arbeidsvermogen te ontwikkelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 17 september 2024 op een duidelijke en inzichtelijke wijze overwogen dat er nog behandelmogelijkheden voor appellant bestaan, waaronder een niertransplantatie of het thuis dialyseren. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zouden deze behandelingen kunnen leiden tot een belastbaarheid van vier uur per dag (eventueel in twee blokken van twee uur). Gezien de leeftijd en het functioneringsniveau van appellant vóór juli 2023 is het aannemelijk dat hij op een wachtlijst voor een niertransplantatie zal worden geplaatst. Dit zal enige jaren duren, maar zal ruim binnen de termijn van tien jaar, die in het kader van de duurzaamheidsbepaling geldt, plaatsvinden. Bij een succesvolle transplantatie acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep de verwachting van deelname aan het werkzame leven alleszins redelijk. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist of incompleet beeld had van de medische situatie van appellant. Appellant heeft in beroep ook geen medische informatie naar voren gebracht die twijfels oproept over de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft daarom geen reden om die conclusie niet te volgen. Omdat appellant in de toekomst in staat moet worden geacht om arbeidsvermogen te ontwikkelen, is er voor het Uwv ook geen (wettelijke) grond om appellant, zoals zijn gemachtigde heeft aangevoerd, een ‘voorlopige’ Wajong-uitkering toe te kennen.
2.2.
Ook de stelling van appellant dat op basis van zijn psychische klachten een verminderde belastbaarheid had moeten worden aangenomen, heeft de rechtbank niet gevolgd. Hoewel het voorstelbaar is dat appellant als gevolg van zijn ernstige gezondheidsperikelen ook psychische klachten heeft ontwikkeld, is uit de medische gegevens van de behandelaars en uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gebleken dat deze klachten zich rondom de datum in geding of nadien voordeden. Appellant heeft ook geen medische informatie ingebracht waaruit kan blijken dat hij op de datum in geding kampte met psychische klachten en dat deze klachten duurzaam waren. Gezien de nauwe verbondenheid tussen de nierklachten en de gestelde psychische klachten, is het aannemelijk dat bij een succesvolle niertransplantatie ook de psychische gesteldheid van appellant zal verbeteren.
2.3.
De rechtbank heeft appellant evenmin gevolgd in zijn beroep op het ontbreken van basale werknemersvaardigheden en de onmogelijkheid om binnen een arbeidsorganisatie een taak uit te voeren.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
De rechtbank heeft ten onrechte geen of te weinig waarde toegekend aan de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden over het verlies van zijn arbeidsvermogen en de duurzaamheid hiervan. Gezien de klachten is het onbegrijpelijk dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat appellant nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat hij dit in de toekomst kan ontwikkelen en dat hij in de toekomst weer voor minimaal vier uur belastbaar zal zijn. De rechtbank heeft te weinig gewicht toegekend aan de ernstige nierklachten en de gevolgen van een niertransplantatie voor zijn arbeidsvermogen. Een niertransplantatie is een langdurig traject met veel risico’s. Het is aannemelijk dat een geslaagde niertransplantatie zal leiden tot blijvende klachten en beperkingen die een negatieve invloed zullen hebben op de ontwikkeling van het arbeidsvermogen van appellant.
3.2.
Het staat nu al vast dat er geen mogelijkheid bestaat om in de toekomst arbeidsvermogen te ontwikkelen omdat ook de bestaande behandelmogelijkheden zijn belastbaarheid niet zullen doen toenemen. Het voorgaande geldt te meer gezien de door het nierfalen ontwikkelde psychische klachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar een medische verklaring van 8 juli 2025 van de internist-nefroloog en de medisch maatschappelijk werker.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een nader rapport van 29 juli 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt of studerende is als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5.2.
Niet in geschil is dat appellant op 26 juli 2023 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur en niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
5.3.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [1] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [2] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden.
5.4.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
5.5.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
5.6.
Appellant heeft een medische verklaring van 8 juli 2025 van de internist-nefroloog en de medisch maatschappelijk werker overgelegd. Hierin is toegelicht dat appellant sinds 2023 bij het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft in behandeling is in verband met ernstig nierfalen (eindstadium), ontstaan door trombotische microangiopathie (TMA) op basis van maligne hypertensie. Appellant is volledig afhankelijk van hemodialyse, driemaal per week. Appellant volgde een opleiding. De belasting van de dialyse maakte het onmogelijk deze opleiding voort te zetten. Sindsdien staat zijn ontwikkeling volledig stil en is hij op meerdere levensgebieden ernstig beperkt. De verwachting van het Uwv dat appellant binnen tien jaar hersteld zou kunnen zijn, acht de internist-nefroloog medisch gezien onrealistisch en te optimistisch. Zelfs in het geval van een succesvolle niertransplantatie blijft appellant chronisch patiënt, met blijvende beperkingen, afhankelijkheid van het medicinaal onderdrukken van het afweersysteem, medische begeleiding en het blijvende risico op afstoting en recidief van de TMA.
5.7.
In reactie hierop heeft het Uwv een rapport van 29 juli 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Daarin is toegelicht dat niet wordt uitgegaan van herstel binnen tien jaar. Het standpunt is dat appellant binnen tien jaar arbeidsvermogen kan ontwikkelen, met andere woorden kan gaan voldoen aan de criteria van vier uur per dag (of tweemaal twee uur per dag) belastbaar zijn en een uur aaneengesloten kunnen werken. Gelet op de opleiding van appellant is voorts niet te verwachten dat hij op dat moment geen basale werknemersvaardigheden zal hebben of geen taak (iets eenvoudigs als broodjes smeren is al voldoende) zal kunnen uitvoeren.
5.8.
Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Ter zitting is gebleken dat appellant inmiddels recentelijk een niertransplantatie heeft ondergaan, waarvan hij nog moet aansterken en waarbij het uithoudingsvermogen nog laag is. De Raad erkent dat de uitkomst van een niertransplantatie bij TMA onzeker is en dat, gelet op de bestaande wachtlijst op het moment van de Wajong-aanvraag, van een verbetering in het functioneren wellicht pas na jaren sprake zal kunnen zijn. Voor de toepassing van de Wajong kan in een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat – anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet WIA [3] – geen duurzaamheid worden aangenomen. Ook als sprake is van een geringe kans op herstel op lange termijn, is immers niet uitgesloten dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst nog kunnen ontwikkelen. De wetgever heeft ervoor gekozen dat in een dergelijke situatie eerst na een periode van tien jaar [4] wordt aangenomen dat het arbeidsvermogen duurzaam ontbreekt.
5.9.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van appellant op 26 juli 2023 niet duurzaam was en appellant daarom niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Voetnoten

1.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
2.Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
3.Een met artikel 4, derde lid, van de Wet WIA vergelijkbare bepaling ontbreekt in de Wajong.
4.Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.