ECLI:NL:CRVB:2026:801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk als medewerker klantenservice
Appellante was werkzaam als medewerker klantenservice en meldde zich ziek met fysieke klachten. Het UWV kende haar een ZW-uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat zij volgens medisch onderzoek en een functionele mogelijkhedenlijst (FML) geschikt werd geacht voor haar eigen werk of passend werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de conclusies van de verzekeringsartsen overtuigend vond.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische situatie, met name de combinatie van hevige pijnklachten en psychische klachten, onvoldoende was meegewogen, en dat zij door ernstige vermoeidheid en concentratieproblemen niet in staat was haar werk te verrichten. Zij bracht aanvullende medische stukken in en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De medische beoordeling door het UWV was zorgvuldig en volledig, en de aanvullende stukken gaven geen aanleiding tot twijfel over de belastbaarheid op de datum in geding. De Raad bevestigde dat onder “zijn arbeid” wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Het verzoek om een deskundige te benoemen werd afgewezen. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering van appellante wordt bevestigd omdat zij geschikt is voor haar eigen werk als medewerker klantenservice.