ECLI:NL:CRVB:2026:80
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na onrechtmatige beëindiging WAO-uitkering
Appellant had zijn WAO-uitkering beëindigd zien per 1 juni 2020 vanwege het ontbreken van een bankrekeningnummer op zijn naam. Na bezwaar en beroep werd het besluit ingetrokken en werd uitbetaling mogelijk gesteld via een machtiging voor een derdenrekening. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij het verzoek om schadevergoeding onbesproken bleef.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte niet op zijn schadevergoedingsverzoek was ingegaan. De Raad oordeelde dat het verzoek wel behandeld had moeten worden, maar wees het af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de schade het gevolg was van het onrechtmatige besluit. Het Uwv had immers niet kunnen uitbetalen zonder bankgegevens of machtiging, en appellant had zelf om stopzetting van de uitkering gevraagd.
De Raad bevestigde het standpunt dat de omvang van het geding beperkt is tot het bestreden besluit en verwierp verzoeken die daarbuiten vielen. De aangevallen uitspraak werd vernietigd voor zover het verzoek om schadevergoeding niet was behandeld, maar voor het overige bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband met het onrechtmatige besluit.