Appellant ontving een AOW-pensioen voor een alleenstaande. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wijzigde dit pensioen per 1 januari 2024 naar de gehuwdennorm, omdat zij aannam dat appellant en X een gezamenlijke huishouding voeren met wederzijdse zorg. Appellant betwistte dit en voerde aan dat X hem niet verzorgt en niet bijdraagt aan het huishouden.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de Svb terecht had gehandeld, maar stelde dat de Svb onvoldoende onderzoek had gedaan naar de aard en omvang van de zorg. De rechtbank gaf de Svb opdracht een nieuwe beslissing te nemen. De Svb handhaafde het besluit echter opnieuw, waarbij zij zich baseerde op eerdere meldingen van appellant en correspondentie met de verhuurder.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Svb niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 3 september 2024. Het nader onderzoek van de Svb leverde geen duidelijkheid over de zorg die X aan appellant verleent. De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 2 mei 2024. Het AOW-pensioen moet worden betaald volgens de norm voor een alleenstaande vanaf 1 januari 2024. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de nabetaling en vergoeding van reiskosten van appellant.