Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:716

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
25/1077 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Wet WIAArt. 3:2 Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswettenArt. 4:1 Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering te veel betaalde WIA-voorschotten zonder dringende reden tot kwijtschelding

Appellant ontving vanaf 2013 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2022 en ontvangst van belastinggegevens over 2020, stelde het UWV vast dat er te veel voorschotten waren betaald en vorderde dit bedrag terug. Appellant betwistte de berekening van zijn inkomen uit zelfstandige arbeid en voerde aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat de terugvordering onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen had. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank een te beperkte uitleg gaf aan het begrip 'dringende reden' en verwees naar nieuwe besluitvorming en zijn schuldensituatie.

De Raad oordeelt dat de nieuwe besluitvorming niet ziet op de terugvordering over 2020 en bevestigt dat het UWV de juiste berekeningsmethode toepaste. De Raad hanteert een verruimde uitleg van 'dringende reden', waarbij een belangenafweging plaatsvindt, maar concludeert dat geen dringende redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien. Ook het bezwaar tegen de bevoegdheid tot verrekening wordt verworpen.

Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt eveneens afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaalde WIA-voorschotten en wijst het hoger beroep af wegens ontbreken van dringende redenen.

Uitspraak

25/1077 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 april 2025, 23/695 (aangevallen uitspraak).
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht tot terugvordering van in 2020 aan appellant te veel betaalde WIA-voorschotten is overgegaan. Volgens appellant is de berekening van zijn inkomsten uit zelfstandige arbeid in 2020 niet juist en zijn er dringende redenen aanwezig op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van terugvordering. De Raad volgt deze standpunten van appellant niet en oordeelt dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Voor appellant is verschenen mr. Gans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 3 juli 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
In het kader van een professionele herbeoordeling is op 19 juli 2022 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant opnieuw beoordeeld. Daarbij is betrokken dat appellant sinds 1 maart 2018 als zelfstandig ondernemer een groothandel in kappersbenodigdheden exploiteert en daaruit inkomsten heeft.
1.3.
Na ontvangst van de gegevens van de belastingdienst over 2020 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant over het jaar 2020 definitief berekend. Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het Uwv over de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 een bedrag van € 4.707,54 bruto teruggevorderd omdat volgens het Uwv sprake is van te veel betaalde WIA-voorschotten.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank resteerde enkel nog het geschilpunt of het Uwv wegens dringende redenen van de terugvordering had moeten afzien. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, geoordeeld dat dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor appellant als gevolg van de terugvordering van de WIA-uitkering optreden. Volgens de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dergelijke onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen. Appellant heeft zijn stellingen met betrekking tot opgebouwde schulden en kredieten niet met objectveerbare documenten onderbouwd. De rechtbank heeft verder van belang geacht dat appellant vanaf januari 2023 een terugbetalingsregeling heeft getroffen met het Uwv van € 100,- per maand en dat de terugvordering inmiddels is afbetaald. Bij besluit van 10 februari 2023 heeft het Uwv namelijk aan appellant medegedeeld dat er na verrekening van proceskosten ten bedrage van € 1.194.00 nog een terugvorderingsbedrag van € 3.429.54 bruto resteert. Bij besluit van 3l augustus 2023 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat het ontvangen voorschot van zijn uitkering in 2021 lager is dan de uitkering waar hij recht op had, zodat appellant over dat jaar nog € 10.397.92 bruto tegoed had van het Uwv. Na aftrek van het terugvorderingsbedrag dat nog openstond, heeft het Uwv vervolgens nog € 7.668.38 aan appellant overgemaakt.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant blijkt uit nieuwe besluitvorming, waarbij is bepaald dat hij doorlopend recht heeft op een WIA-uitkering, dat het Uwv het inkomen uit zijn onderneming in 2020 niet correct heeft meegenomen bij de terugvordering. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft immers in het rapport van 12 december 2024 erkend dat de fiscale winst anders dient te worden vastgesteld. Volgens appellant is het nieuw vastgestelde maatgevende inkomen van invloed op de hoogte van de voorschotten per 1 januari 2020 en 1 juli 2020. Ook heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip “dringende reden”. Uit rechtspraak volgt volgens appellant dat de Raad een ruimere uitleg geeft aan dit begrip. Los daarvan leidt de schuldensituatie reeds tot de aanname van de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale gevolgen, waardoor ook de bedrijfsvoering in gedrang komt. Ook was appellant evident niet in staat tot terugbetaling van de terugvordering. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft appellant verwezen naar de al overgelegde jaarstukken en de privéleningen. Ten slotte heeft appellant nog de rechtmatigheid van de bevoegdheid tot verrekenen van het Uwv bestreden.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en heeft daarbij vooropgesteld dat appellant ter zitting van de rechtbank desgevraagd heeft verklaard dat enkel nog als geschilpunt resteert of het Uwv wegens dringende redenen van de terugvordering had moeten afzien. Volgens het Uwv is het daarom opmerkelijk dat appellant verwijst naar nieuwe besluitvorming die hier niet in geding is, om vervolgens de conclusie te trekken dat voor wat betreft de fiscale winst onder het jaar 2020 een ander bedrag zou moeten worden gehanteerd. Het Uwv heeft zich daarover – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat de nieuwe besluitvorming niet ziet op het vaststellen van inkomsten als zelfstandige over het jaar 2020. Reeds daarom kan volgens het Uwv niet worden ingegaan op het beroep van appellant dat strekt tot het aannemen van een dringende reden op basis van een onjuiste berekening van de hoogte van de terugvordering over 2020. Voor het aannemen van een dringende reden op andere gronden, heeft appellant volgens het Uwv zijn niet onderbouwde gronden herhaald. Het Uwv kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om een dringende reden aan te nemen om af te zien van de terugvordering.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Omvang van het geding
5.1.
De vraag of appellant de omvang van het geding uitdrukkelijk en welbewust heeft beperkt (zoals de Raad het standpunt van het Uwv begrijpt), zal de Raad in het midden laten. Van belang is dat dat het Uwv meerdere malen (onder meer in het verweerschrift van 5 december 2023) onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, zeer helder heeft toegelicht dat de vaststelling van de praktische verdiencapaciteit gebaseerd is op een andere berekeningsmethode dan die waarbij het inkomen uit zelfstandige arbeid per boekjaar wordt vastgesteld. Wat appellant in hoger beroep en onder verwijzing naar nieuwe besluitvorming daartegen heeft aangevoerd, treft geen doel. Zoals ook ter zitting is besproken, ziet de nieuwe besluitvorming op het vaststellen van de praktische verdiencapaciteit (waarbij is gerekend met de boekjaren 2019 en 2020) en niet op de hier voorliggende terugvordering over het jaar 2020. Voor het vaststellen van de inkomsten per boekjaar is in dit geval het bepaalde in de artikelen 3:2, eerste lid, aanhef en onder d en 4:1, eerste en tweede lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, van toepassing. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv deze bepalingen onjuist heeft toegepast. Dit betekent dat in 2020 sprake is van een totale fiscale winst van € 21.877,-, herleid tot een inkomen uit zelfstandige arbeid per maand van € 1.823,09. Het standpunt van appellant dat het Uwv zijn inkomen uit zelfstandige arbeid over het jaar 2020 niet correct bij de terugvordering zou hebben meegenomen, kan dan ook niet worden gevolgd.
Dringende reden
5.2.
Gelet op artikel 77 van Pro de Wet WIA heeft het Uwv de verplichting teveel betaalde uitkering terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Deze kunnen het Uwv reden geven om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien.
5.2.1.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [1] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het Uwv of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. Bij het nemen van een besluit over herziening of terugvordering is het Uwv verplicht om een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn.
5.2.2.
Voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de bestuursrechter een herzienings- of terugvorderingsbesluit dat een dergelijke belangenafweging bevat, voortaan toetsen op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, waarbij de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem van verplichte herziening en terugvordering, indien achteraf blijkt dat een recht op uitkering niet op de juiste wijze is vastgesteld. Voor wat betreft herzienings- en terugvorderingsbesluiten, genomen door het Uwv, geldt dat de toetsing van de bestuursrechter, gelet op de aard van de betrokken belangen en de geringe mate van beleidsruimte van het Uwv, op het punt van de evenwichtigheid intensief zal zijn.
5.2.3.
Vastgesteld wordt dat het Uwv de onder 5.2.1 geschetste verruimde uitleg van de dringende reden, niet bij de beoordeling van de terugvordering heeft betrokken. De feiten en omstandigheden in dit geval, kunnen echter niet leiden tot het oordeel dat voor het Uwv ten tijde van de besluitvorming dringende redenen aanwezig waren om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat wat betreft de
oorzaakvan de terugvordering niet gesteld kan worden dat de besluitvorming van het Uwv nodeloos lang heeft geduurd. Uit 5.1 volgt verder dat niet is gebleken van een onjuiste berekening van de hoogte van de terugvordering. Ook is geen sprake van andere dusdanige fouten van het Uwv dat de onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten geheel of gedeeltelijk voor rekening en risico van het Uwv dienen te blijven. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd die zien op de
gevolgenvan de terugvordering, zijn in essentie een herhaling van de gronden die hij heeft aangevoerd in beroep. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank daarover en de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag zijn gelegd worden onderschreven.
5.2.4.
Gelet op wat onder 5.2.3 is overwogen en uitgaande van de wijze van toetsing zoals onder 5.2.1 en 5.2.2 is weergegeven, oordeelt de Raad dat de terugvordering van het gehele bedrag dat appellant ten onrechte aan WIA-voorschotten heeft ontvangen, niet onevenwichtig is.
5.2.5.
Ten slotte oordeelt de Raad dat ook het standpunt van appellant dat het Uwv niet bevoegd zou zijn om de onverschuldigde bedragen te verrekenen niet slaagt. Daartoe verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 23 maart 2022, [2] waarin is bepaald dat voor de verrekening van een onverschuldigde betaling met een (toekomstige) uitkering een wettelijke grondslag bestaat.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet, de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Bij dit oordeel is er geen grond voor vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding, in de vorm van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
2.CRvB 23 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:703.