Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:713

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/1199 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a:1, eerste lid WajongArt. 1a:1, tweede lid WajongArt. 1a, eerste lid Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen op achttiende verjaardag en vijf jaar daarna

Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan wegens chronische ziekte van Lyme, maar het UWV concludeerde na onderzoek dat zij arbeidsvermogen had. De aanvraag was laattijdig ingediend, en de peildatum voor beoordeling was haar achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de peildatum niet kon worden verlegd naar het moment waarop appellante haar hbo-studie moest staken, omdat zij al op haar achttiende verjaardag beperkingen ondervond. Appellante had in de beoordelingsperiode een mbo-opleiding afgerond en was werkzaam geweest, wat duidt op arbeidsvermogen.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten geleidelijk verergerden en dat de diagnose pas later was gesteld, waardoor een andere peildatum passend zou zijn. De Raad volgde dit niet en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de peildatum niet kan worden verlegd en dat appellante arbeidsvermogen had.

De Raad wees het hoger beroep af, bevestigde de weigering van de Wajong-uitkering en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante op haar achttiende verjaardag en de vijf jaren daarna over arbeidsvermogen beschikte.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1199 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 mei 2025, 24/5556 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op de dag dat zij achttien jaar is geworden (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Namens appellante is mr. Ergec verschenen, bijgestaan door de ouders en een begeleidster van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1991, heeft met een door het Uwv op 2 januari 2023 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat zij de chronische ziekte van Lyme heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van haar behandelaars. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 4 juli 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 22 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een laattijdige aanvraag van appellante, omdat zij haar aanvraag voor een Wajong-uitkering geruime tijd na haar achttiende verjaardag heeft ingediend. In het geval van appellante loopt de te beoordelen periode van [geboortedatum] 2009 (de datum waarop zij achttien jaar is geworden) tot en met [geboortedatum] 2014 (vijf jaar na haar achttienjarige leeftijd).
2.2.
Appellante heeft onder verwijzing naar een uitspraak van 8 januari 2025 [1] van de Raad aangevoerd dat in haar situatie een andere peildatum dan haar achttiende verjaardag gehanteerd dient te worden, namelijk de datum waarop zij haar hbo-studie heeft moeten staken. De rechtbank heeft overwogen dat in die uitspraak en in een uitspraak die op dezelfde datum is gedaan, is geoordeeld dat als een betrokkene al op zijn achttiende verjaardag beperkingen ondervindt door ziekte, dit betekent dat vanaf dat moment voor de beperkingen uit die ziekte de vijfjaarstermijn van artikel 1a:1, tweede lid van de Wajong aanvangt. Gaat een betrokkene met reeds bestaande beperkingen studeren en staakt hij die studie vervolgens na ten minste zes maanden ten gevolge van (een toename van) die beperkingen, dan valt die betrokkene op grond van deze toegenomen beperkingen niet onder artikel la:1, eerste lid aanhef en onder b. van de Wajong. Om die reden gaat er vanaf dat moment ook geen nieuwe vijfjaarstermijn lopen. Een andere uitleg zou betekenen dat studerenden ten opzichte van niet-studerenden een tweede mogelijkheid hebben om op grond van al bij aanvang van de studie bestaande beperkingen gedurende vijf jaren alsnog als jonggehandicapte aangemerkt te worden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever dit expliciet heeft willen voorkomen door aan te sluiten bij het eerste moment waarop door een ziekte beperkingen worden ondervonden.
2.3.
In het geval van appellante staat niet ter discussie dat het ziektebeeld (chronische Lyme) en de bijbehorende klachten al voor het achttiende levensjaar tot uiting zijn gekomen. Appellante heeft dit ook onderbouwd met medische stukken, waaronder het huisartsenjournaal. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat appellante al bij aanvang van haar studie beperkingen ondervond door haar aandoening, ook al is de diagnose chronische Lyme uiteindelijk pas in 2019 gesteld. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen van de Raad kan de peildatum daarom niet verlegd worden naar de datum waarop zij haar studie heeft moeten staken en is er op dat moment ook geen (nieuwe) vijfjaarstermijn gaan lopen. De te beoordelen periode blijft de achttiende verjaardag van appellante en de vijf jaren daarna. Dit betekent dat de (verslechtering van de) gezondheid van appellante in de periode daarna er niet toe kan leiden dat zij als jonggehandicapte in de zin van de Wajong wordt aangemerkt.
2.4.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante van 2010 tot 2014 de opleiding mbo-4 tot doktersassistente heeft gevolgd. Binnen de reguliere studietijd en zonder vrijstellingen heeft zij deze opleiding met een diploma afgerond. Vervolgens is appellante in 2014 begonnen met de hbo-opleiding toegepaste psychologie. Daarnaast is appellante in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2013 werkzaam geweest bij [lunch room] . De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het gemotiveerde oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft mogen volgen, in de kern gebaseerd op de door appellante gevolgde opleidingen en verrichte werkzaamheden. Het Uwv heeft daarom kunnen concluderen dat appellante in de te beoordelen periode ten minste vier uur per dag belastbaar was. in staat was één uur aaneengesloten een taak te verrichten en over werknemersvaardigheden beschikte. Zoals hiervoor is opgesomd, is in de Wajong bepaald dat in dat geval al sprake is van arbeidsvermogen en geen recht bestaat op een uitkering. Uit wat appellante heeft aangevoerd, kan niet worden aangenomen dat zij in de periode van [geboortedatum] 2009 tot en met [geboortedatum] 2014 aan één van voornoemde vier voorwaarden niet voldeed. Uit de beschikbare medische informatie over deze periode blijkt wel degelijk dat appellante toen al klachten had vanwege de later gediagnosticeerde chronische Lyme, maar van een situatie dat appellante in die periode geen vier uur per dag belastbaar was of niet in staat was één uur aaneengesloten te werken in een taak of niet over werknemersvaardigheden beschikte, is niet gebleken. In dat geval is al sprake van arbeidsvermogen zoals bedoeld in de Wajong. Appellante kan daarom over de periode van [geboortedatum] 2009 tot en met [geboortedatum] 2014 niet als jonggehandicapte worden aangemerkt. Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, aldus de rechtbank.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft aangevoerd dat sprake is van een geleidelijke verergering van klachten en bijkomende klachten, waardoor zij niet in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Appellante heeft herhaald dat in haar situatie een andere peildatum dan haar achttiende verjaardag gehanteerd dient te worden, namelijk de datum waarop zij haar hbo-studie heeft moeten staken. Zij is benadeeld, omdat de diagnose nog niet was gesteld en het niet voor de hand lag om een aanvraag om Wajong-uitkering te doen. Appellante heeft verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.2.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per de dag dat zij achttien jaar is geworden en in de vijf jaar daarna arbeidsvermogen heeft.
5.3.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.1.
De beroepsgrond van appellante dat de peildatum verlegd had moeten worden, slaagt niet. De bepalingen in de Wajong 2015 en de jurisprudentie genoemd in rechtsoverweging 2.2 bieden geen mogelijkheid om de peildatum te verleggen.
5.4.
Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellante op haar achttienjarige leeftijd en in de vijf jaar daarna beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt dan ook afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.CRvB 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:29.