ECLI:NL:CRVB:2026:65

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
25/251 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering uitbetaling WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en proceskostenveroordeling

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De appellant, die in dienst was bij een ex-werkgever, had een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend na het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst. Het UWV had de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden omdat hij geen passende arbeid had aanvaard. De Raad oordeelde dat het UWV niet voldoende had aangetoond dat de ex-werkgever een werkaanbod had gedaan voor de voortzetting van het dienstverband. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en droeg het UWV op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de appellant.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2024, 24/4653 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en om die reden de WWuitkering van appellant niet tot uitbetaling komt. Anders dan de rechtbank, volgt de Raad het standpunt van appellant dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan appellant een werkaanbod is gedaan voor de voortzetting van zijn dienstverband per 1 augustus 2023.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Roos, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is met ingang van 1 februari 2023 in dienst getreden bij [naam ex-werkgever] (ex-werkgever). Hij was werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst fase B voor bepaalde tijd tot 1 augustus 2023 zonder uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting. Op 23 juni 2023 heeft appellant een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) per 30 juni 2023 ingediend. Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellant op dat moment niet werkloos was en recht had op doorbetaling van zijn loon.
1.2.
Nadat de arbeidsovereenkomst van appellant van rechtswege was geëindigd op 31 juli 2023, heeft appellant op 12 september 2023 opnieuw een aanvraag om een WWuitkering ingediend. Bij besluit van 28 september 2023 heeft het Uwv beslist dat appellant per 31 juli 2023 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet tot uitbetaling komt omdat appellant heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden en hierdoor verwijtbaar werkloos is geworden.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 12 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 september 2023 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Volgens het Uwv is appellant per 1 augustus 2023 een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden, maar heeft appellant dit aanbod afgeslagen. Het Uwv baseert zich daarbij op telefoonnotities van gesprekken met de ex-werkgever.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv, met het overleggen van de telefoonnotities van de ex-werkgever van 17 juli 2023, 25 september 2023 en 28 september 2023, voldoende aannemelijk gemaakt dat het aan appellant te wijten is dat de arbeidsovereenkomst na 31 juli 2023 niet is voortgezet. Volgens de rechtbank kan het handelen van appellant worden aangemerkt als het door eigen toedoen niet behouden van passende arbeid. De arbeidsovereenkomst van appellant liep tot en met 31 juli 2023, waarna appellant bij de ex-werkgever kon blijven werken en hiertoe ook is opgeroepen door de ex-werkgever. Het Uwv heeft nader onderzoek gedaan naar de verklaringen van de ex-werkgever op basis van bankafschriften van appellant en geconcludeerd dat het aannemelijk is dat appellant tussen 7 juli 2023 en 28 augustus 2023 op vakantie was. Verder blijkt uit de telefoonnotities dat appellant niet meer voor het uitzendbureau wilde werken en in aanmerking wilde komen voor een WW-uitkering. Volgens de rechtbank wordt dit ondersteund door de eerdere WW-aanvraag van appellant. Dat aan appellant geen schriftelijk werkaanbod is gedaan, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. Nu appellant blijkens de verklaringen van de ex-werkgever niet is ingegaan op een mondeling werkaanbod, heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in de conclusie dat de exwerkgever appellant daarom geen schriftelijke mededeling heeft gedaan van de voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Appellant heeft ook na ontvangst van het primaire besluit van het Uwv geen contact gezocht met de ex-werkgever dat hij zijn werkzaamheden wilde voortzetten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv appellant terecht verweten dat hij door eigen handelen geen passende arbeid heeft behouden, waardoor het Uwv gehouden was blijvend een maatregel op te leggen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien hiervan af te wijken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Appellant wijst erop dat op grond van artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst zijn dienstverband van rechtswege eindigt, tenzij hij uiterlijk één maand voor het einde schriftelijk wordt geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet en onder welke voorwaarden. Volgens appellant heeft de ex-werkgever schriftelijk noch mondeling een werkaanbod gedaan tot voortzetting van de arbeidsovereenkomst en zijn de telefoonnotities onvoldoende om te concluderen dat hij geen passende arbeid heeft behouden. Verder stelt appellant dat uit het feit dat hij tot na afloop van de arbeidsovereenkomst op vakantie zou zijn geweest, niet valt af te leiden dat hij geen passende arbeid heeft behouden of aan hem een aanbod daartoe is gedaan. Het feit dat appellant eerder een WW-uitkering heeft aangevraagd, kan evenmin ter ondersteuning van het standpunt van het Uwv dienen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Het geschil tussen partijen richt zich op de vraag of de ex-werkgever van appellant een werkaanbod heeft gedaan voor voortzetting van het dienstverband van appellant per 1 augustus 2023.
5.2.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant heeft nagelaten passende arbeid te behouden, omdat aan hem valt te verwijten dat de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2023 niet is voortgezet. Uit artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst volgt dat het dienstverband in beginsel op de einddatum, in dit geval 31 juli 2023, eindigt. Dit is volgens de arbeidsovereenkomst slechts anders indien de werkgever uiterlijk één maand voor de einddatum, dus vóór 1 juli 2023, schriftelijk te kennen geeft dat het dienstverband wordt voortgezet en onder welke voorwaarden. Van een dergelijk werkaanbod is niet gebleken en dat is door het Uwv ter zitting ook erkend. Uit de telefoonnotities van de gesprekken met de ex-werkgever van 17 juli 2023, 25 september 2023 en 28 september 2023 blijkt niet ondubbelzinnig dat aan appellant een mondeling werkaanbod is gedaan. De telefoonnotities bevatten geen consequent en eenduidig beeld van de feitelijke gang van zaken. Uit deze notities wordt niet duidelijk of, en zo ja, wanneer en door wie aan appellant een werkaanbod zou zijn gedaan, welke omvang dat zou hebben en onder welke voorwaarden. Daarom wordt het Uwv ook niet gevolgd in de redenering dat een schriftelijk werkaanbod overbodig was omdat een mondeling werkaanbod al was afgeslagen door appellant. Daarmee is het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig geweest.
5.3.
Het standpunt van het Uwv dat uit de bankafschriften blijkt dat appellant in ieder geval tussen 7 juli 2023 en 28 augustus 2023 op vakantie was en dat dit in tegenspraak is met de verklaring van appellant dat hij slechts de eerste twee weken van augustus op vakantie was, leidt niet tot een andere conclusie. Hieruit kan immers niet worden afgeleid dat aan appellant een werkaanbod is gedaan. Dit geldt eveneens voor het gegeven dat appellant een eerdere aanvraag om een WW-uitkering heeft gedaan.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad zal het Uwv opdragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en zal daarbij de beslistermijn stellen op zes weken.
6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,‑) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-). Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- stelt de beslistermijn vast op zes weken gerekend vanaf de datum van verzending van deze uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.802,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D.M.A. van de Geijn

Bijlage

Artikel 24, eerste, tweede en zevende lid, van de WW
1. De werknemer voorkomt dat hij:
a. verwijtbaar werkloos wordt;
b. werkloos is of blijft, doordat hij:
1°. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;
2°. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
3°. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of
4°. in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:
a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt;
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
7. Het tweede en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, onder 3°, waarbij voor de overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdeel b, voor «de dienstbetrekking is beëindigd» mede wordt gelezen: de arbeid is beëindigd of niet voortgezet.
Artikel 27, eerste lid, van de WW
1.
Het UWV brengt een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het UWV de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.
3. Bedingen waarbij aan de werkgever de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.