Appellant was in dienst bij een uitzendbureau tot 31 juli 2023 en vroeg een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant volgens hen passende arbeid had nagelaten te behouden, gebaseerd op telefoonnotities van de ex-werkgever. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond.
Appellant stelde dat er geen schriftelijk of ondubbelzinnig mondeling werkaanbod was gedaan en dat het UWV de bewijslast niet had voldaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant passende arbeid had nagelaten te behouden, omdat de arbeidsovereenkomst volgens de contractuele bepalingen zonder schriftelijk aanbod van voortzetting eindigde op 31 juli 2023.
De telefoonnotities waren onvoldoende duidelijk en het UWV erkende dat er geen schriftelijk werkaanbod was gedaan. Ook de vakantieperiode van appellant en eerdere WW-aanvragen konden niet leiden tot de conclusie dat passende arbeid was nagelaten. De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen binnen zes weken. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.