1.3.Bij beslissing op bezwaar van 12 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 september 2023 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Volgens het Uwv is appellant per 1 augustus 2023 een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden, maar heeft appellant dit aanbod afgeslagen. Het Uwv baseert zich daarbij op telefoonnotities van gesprekken met de ex-werkgever.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv, met het overleggen van de telefoonnotities van de ex-werkgever van 17 juli 2023, 25 september 2023 en 28 september 2023, voldoende aannemelijk gemaakt dat het aan appellant te wijten is dat de arbeidsovereenkomst na 31 juli 2023 niet is voortgezet. Volgens de rechtbank kan het handelen van appellant worden aangemerkt als het door eigen toedoen niet behouden van passende arbeid. De arbeidsovereenkomst van appellant liep tot en met 31 juli 2023, waarna appellant bij de ex-werkgever kon blijven werken en hiertoe ook is opgeroepen door de ex-werkgever. Het Uwv heeft nader onderzoek gedaan naar de verklaringen van de ex-werkgever op basis van bankafschriften van appellant en geconcludeerd dat het aannemelijk is dat appellant tussen 7 juli 2023 en 28 augustus 2023 op vakantie was. Verder blijkt uit de telefoonnotities dat appellant niet meer voor het uitzendbureau wilde werken en in aanmerking wilde komen voor een WW-uitkering. Volgens de rechtbank wordt dit ondersteund door de eerdere WW-aanvraag van appellant. Dat aan appellant geen schriftelijk werkaanbod is gedaan, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. Nu appellant blijkens de verklaringen van de ex-werkgever niet is ingegaan op een mondeling werkaanbod, heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in de conclusie dat de exwerkgever appellant daarom geen schriftelijke mededeling heeft gedaan van de voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Appellant heeft ook na ontvangst van het primaire besluit van het Uwv geen contact gezocht met de ex-werkgever dat hij zijn werkzaamheden wilde voortzetten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv appellant terecht verweten dat hij door eigen handelen geen passende arbeid heeft behouden, waardoor het Uwv gehouden was blijvend een maatregel op te leggen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien hiervan af te wijken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Appellant wijst erop dat op grond van artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst zijn dienstverband van rechtswege eindigt, tenzij hij uiterlijk één maand voor het einde schriftelijk wordt geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet en onder welke voorwaarden. Volgens appellant heeft de ex-werkgever schriftelijk noch mondeling een werkaanbod gedaan tot voortzetting van de arbeidsovereenkomst en zijn de telefoonnotities onvoldoende om te concluderen dat hij geen passende arbeid heeft behouden. Verder stelt appellant dat uit het feit dat hij tot na afloop van de arbeidsovereenkomst op vakantie zou zijn geweest, niet valt af te leiden dat hij geen passende arbeid heeft behouden of aan hem een aanbod daartoe is gedaan. Het feit dat appellant eerder een WW-uitkering heeft aangevraagd, kan evenmin ter ondersteuning van het standpunt van het Uwv dienen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.