ECLI:NL:CRVB:2026:613

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
26/126 WAD-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • B. Serno
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 AMARArt. 8:81 AwbArt. 8:104 AwbinArt. 8:108 Awbin
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen herroeping ontslag wegens wangedrag militair

Verzoeker, de Staatssecretaris van Defensie, verleende betrokkene, een militair, ontslag wegens wangedrag na bekendmaking van het gebruik van een XTC-pil in 2021 tijdens privétijd. De rechtbank herroept dit ontslagbesluit vanwege bijzondere omstandigheden en acht het ontslag onevenredig.

Verzoeker stelt dat de uitspraak van de rechtbank het drugsbeleid van Defensie ondermijnt en verzoekt om schorsing van de werking van deze uitspraak middels een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen spoedeisend belang is, mede omdat het zerotolerancebeleid in algemene zin niet onredelijk is bevonden en de uitspraak slechts betrekking heeft op de individuele rechtsverhouding.

De voorzieningenrechter benadrukt dat het risico van mogelijke problemen bij de naleving van de uitspraak door het bestuursorgaan bewust door de wetgever is aanvaard en dat organisatorische belangen van verzoeker onvoldoende zwaarwegend zijn om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

Het verzoek wordt afgewezen en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de herroeping van het ontslag wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
26/126 WAD-VV
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
de Staatssecretaris van Defensie (verzoeker)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 7 mei 2026

SAMENVATTING

Verzoeker heeft betrokkene ontslag verleend wegens wangedrag. De rechtbank heeft het ontslagbesluit herroepen. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en heeft daarbij verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de werking van de uitspraak van de rechtbank. De Raad heeft dat verzoek afgewezen, omdat geen spoedeisend belang is aangenomen.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 december 2025, 25/1412 (aangevallen uitspraak). Tevens heeft verzoeker de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Voor verzoeker is verschenen mr. B. Rikhof. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Coppens, advocaat.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het verzoek zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene is per 23 november 2020 aangesteld bij de Koninklijke Landmacht. Hij was laatstelijk werkzaam als plaatsvervangend commandant bij het eerste peloton van de [naam bataljon] , in de rang van korporaal.
1.2.
Op 17 juli 2023 is betrokkene aangehouden door de Koninklijke Marechaussee vanwege het vermoeden dat hij zich schuldig had gemaakt aan het aanwezig hebben en verstrekken van harddrugs. Naar aanleiding hiervan is betrokkene op 29 september 2023 gehoord door onder anderen zijn commandant.
1.3.
Met een besluit van 10 november 2023 heeft verzoeker betrokkene ontslag verleend wegens wangedrag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR. [1] Daaraan is ten grondslag dat betrokkene tegenover zijn commandant in het gesprek van 29 september 2023 heeft verklaard dat hij in 2021, in privétijd maar tijdens zijn aanstelling als militair, een XTC-pil heeft ingenomen. Daarbij heeft verzoeker verwezen naar het drugsbeleid van Defensie, zoals neergelegd in de “Aanwijzing Secretaris-Generaal A/925 van 28 maart 2007” (drugsbeleid). Het bezwaar tegen dit besluit is met een besluit van 22 januari 2025 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 10 november 2023 herroepen. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat verzoeker deugdelijk heeft vastgesteld dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten wangedrag en dat dit wangedrag hem kan worden toegerekend. Verder heeft de rechtbank overwogen dat harddrugsgebruik een vergrijp is dat schadelijk kan zijn voor de dienstvervulling en met het aanzien van het ambt niet te verenigen is. Een beperkte dosis is geen reden om daar anders over te oordelen. Het gebruik van de XTC-pil door betrokkene is dan ook aan te merken als wangedrag. De rechtbank onderkent daarbij dat het bestrijden van drugs binnen Defensie van groot belang is, in het bijzonder vanwege de onwenselijke associaties met de onderwereld. Verzoeker mag dan ook een strikt disciplinair beleid voeren. Daarom is het drugsbeleid, waaruit volgt dat het gebruik van harddrugs wordt beantwoord met de sanctie van ontslag, in het algemeen genomen redelijk. Volgens de rechtbank is het ontslag echter vanwege de bijzondere omstandigheden van dit geval niet evenredig en had verzoeker daarom van zijn zerotolerancebeleid moeten afwijken. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat betrokkene, nadat hij tijdens het verhoor van 29 september 2023 in algemene zin werd gevraagd naar drugsgebruik in het verleden, heeft toegegeven tijdens een festival in 2021 een XTC-pil te hebben geslikt. Deze fout uit het verleden had feitelijk niets te maken met de aanleiding voor het verhoor. Als betrokkene minder integer was geweest en zelfbehoud zwaarder had laten wegen dan oprechtheid, had hij het incident eenvoudig kunnen verzwijgen zonder reële vrees voor repercussies. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat verzoeker anders bekend was geworden met deze fout. In vervolg op het verhoor is betrokkene vrijwel onmiddellijk voor ontslag voorgedragen, terwijl het in de rede had gelegen dat verzoeker eerst zou hebben overdacht wat de nieuwe informatie, die maar zijdelings met het onderwerp van het verhoor te maken had, voor de rechtspositie van betrokkene zou moeten betekenen. Bij dit alles moeten volgens de rechtbank de ingrijpende gevolgen van het ontslag in aanmerking worden genomen. Ontslag wegens wangedrag is oneervol en heeft in beginsel tot gevolg dat betrokkene nooit meer bij Defensie in dienst zal kunnen treden. Uit het dossier komt naar voren dat betrokkene goed functioneerde en tot zijn ontslag liet blijken een veelbelovende militair te zijn. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat betrokkene zeer geschikt was, dat de commandant bijzonder blij met hem was en dat Defensie hard op zoek is naar goede militairen. Tegen die achtergrond heeft verzoeker te kennen gegeven dat de kans bestaat dat Defensie geen bezwaren zou hebben tegen terugkeer van betrokkene bij een gegrondverklaring van het beroep. Hieruit maakt de rechtbank op dat het ontslag hoofdzakelijk als doel had om onvoorwaardelijk te volharden in het strenge beleid en weinig te maken heeft met het vertrouwen in betrokkene als militair.
Het standpunt van verzoeker
3. Verzoeker heeft verzocht om de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten, omdat volgens verzoeker door deze uitspraak het drugsbeleid van Defensie wordt ondermijnd. Door de aangevallen uitspraak is er volgens verzoeker onzekerheid ontstaan over het mogen voeren van een zerotolerancebeleid ten aanzien van (hard)drugs. Daarbij is opgemerkt dat de omstandigheden van dit geval niet bijzonder zijn en dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat een ontslag onevenredig is. Het belang bij het verzoek is actueel, omdat er momenteel meerdere bezwaarprocedures lopen over een ontslagbesluit waaraan het drugsbeleid ten grondslag is gelegd.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4.1.
In de eerste plaats overweegt de voorzieningenrechter ambtshalve het volgende. Het bestreden besluit is genomen door de Commandant Landstrijdkrachten. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker desgevraagd verklaard dat de staatssecretaris het bevoegde bestuursorgaan is en dat de staatssecretaris het bestreden besluit voor zijn rekening neemt.
4.2.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb [2] in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.3.
De enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak volgens verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, vormt op zichzelf onvoldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft aan het instellen van hoger beroep in zaken als deze namelijk uitdrukkelijk geen opschortende werking toegekend en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Er zijn evenwel gevallen denkbaar waarin de bij de uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn dat aan de hand van een voorlopig oordeel over de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal kunnen blijven, wordt bezien of in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel. [3]
4.4.
Van een dergelijk geval is in deze zaak geen sprake. Op basis van het verzoek om voorlopige voorziening, zoals dat namens verzoeker ter zitting is toegelicht, stelt de voorzieningenrechter vast dat er van de zijde van verzoeker geen bezwaren bestaan tegen werkhervatting door betrokkene. Verzoeker heeft in het kader van het verzoek uitsluitend organisatorische belangen naar voren gebracht. Daarover overweegt de voorzieningenrechter dat niet valt in te zien dat verzoeker het desbetreffende zerotolerancebeleid gedurende de behandeling van de bodemprocedure niet meer zou kunnen toepassen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk geacht. Op basis van aangenomen bijzondere omstandigheden heeft de rechtbank geoordeeld dat een ontslag wegens wangedrag in dit specifieke geval onevenredig is. Daarmee is de aangevallen uitspraak slechts van directe betekenis voor de rechtsverhouding tussen verzoeker en betrokkene. Daar komt bij dat de namens verzoeker opgeworpen meer principiële vraag welke omstandigheden in het kader van het drugsbeleid als relevante bijzondere omstandigheden zouden moeten worden aangemerkt, zich niet leent voor een voorlopig oordeel naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening. [4]

Conclusie en gevolgen

4.5.
De conclusie is dat niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van Pro de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
5. Aanleiding bestaat om verzoeker te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 934,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-).

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Voetnoten

1.Algemeen militair ambtenarenreglement.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie onder meer de uitspraak van 31 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3404.
4.Vergelijk de uitspraak van 12 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5320.