ECLI:NL:CRVB:2026:593
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen, stellende dat zijn klachten sinds januari 2013 zijn toegenomen. Het UWV baseerde haar besluit op een zorgvuldige medische beoordeling, waarin geen sprake werd geacht van toegenomen beperkingen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische beoordeling onzorgvuldig was en dat er sprake was van toegenomen beperkingen, onder meer door ernstiger veneuze insufficiëntie, toegenomen rugklachten en duizeligheid. Hij overhandigde aanvullende medische stukken en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de aanvullende stukken geen nieuwe feiten bevatten die tot een ander oordeel leiden. De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak bevestigt dat het UWV terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend omdat de arbeidsongeschiktheid niet is toegenomen binnen de relevante periode en uit dezelfde oorzaak voortkomt als de eerdere beoordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.