Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:571

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/165 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 49,08% per 3 januari 2022

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheidspercentage en de eerste ziektedag door het UWV. Zij stelde dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld en dat zij meer beperkingen had dan aangenomen, waardoor zij de geselecteerde functies niet kon vervullen.

De rechtbank Amsterdam heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank vond de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende en gemotiveerd, en concludeerde dat appellante de functies kon verrichten.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad oordeelde dat het UWV terecht was uitgegaan van 7 november 2018 als eerste ziektedag en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 49,08% juist was vastgesteld. De Raad wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af en bevestigde de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante per 3 januari 2022 terecht heeft vastgesteld op 49,08% met eerste ziektedag 7 november 2018.

Uitspraak

24/165 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023, 23/108 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 3 januari 2022 terecht heeft vastgesteld op 49,08%. Appellante vindt dat het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet juist heeft vastgesteld. Ook vindt appellante dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de eerste arbeidsongeschikheidsdag en het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. de Bie, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens heeft mr. De Bie zich als gemachtigde teruggetrokken.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in te dienen en het Uwv vervolgens in de gelegenheid te stellen op door appellante overgelegde nadere stukken te reageren.
Beide partijen hebben stukken ingediend.
De Raad heeft aan partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker [naam functie] bij de [werkgever] voor 35,86 uur per week. Zij heeft zich ziekgemeld met oogklachten en neurologische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 januari 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 41,61%. Het Uwv heeft bij besluit van 16 februari 2022 aan appellante met ingang van 3 januari 2022 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
Bij beslissing op bezwaar van 23 november 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, de kosten van bezwaar vergoed, en het primaire besluit herroepen voor wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid en deze vastgesteld op 49,08%. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 27 september 2022 (+ 10 november 2022) geconcludeerd dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt dat de eerste ziektedag 15 februari 2019 moet zijn, zoals door appellante is aangevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen medische gronden een andere datum vast te tellen dan 7 november 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 27 september 2022 een gewijzigde FML opgesteld. In een rapport van 10 oktober 2022 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep na gewijzigde functieselectie geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid 49,08% bedraagt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 7 november 2018 en ook geen grond voor het oordeel dat het Uwv het maatmanloon en het dagloon onjuist zou hebben vastgesteld. Daartoe is overwogen dat het bij het vaststellen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag gaat om de datum waarop appellante als gevolg van ziekte niet meer in staat was tot het verrichten van haar werkzaamheden in volle omvang. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op rechtspraak van de Raad, zoals bijvoorbeeld neergelegd in de uitspraken van 3 augustus 2023 [1] en 3 november 2022. [2] De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen van appellante of voor het oordeel dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn standpunt inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd en is de medische informatie van de behandelend neuroloog van 26 oktober 2022 daarbij meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd dat in de FML voldoende rekening is gehouden met de visuele beperkingen van appellante. Daarbij heeft hij informatie van 10 maart 2022 van de behandelend oogarts van appellante bij zijn beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er terecht op gewezen dat het rapport van 9 juni 2023 van bedrijfsarts Gangaram Panday niet ziet op de medische situatie van appellante op de datum in geding. Verder heeft bedrijfsarts Blekemolen de door hem in de desbetreffende FML vastgestelde urenbeperking van maximaal 10 uur per week niet nader onderbouwd, zodat niet duidelijk is geworden op grond waarvan hij tot zijn conclusie over die urenbeperking is gekomen. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat haar rugbeperkingen ernstiger zijn en tot meer beperkingen in de FML zouden moeten leiden. Voor wat betreft de in de FML opgenomen beperking ten aanzien van ‘klantcontacten’ heeft de rechtbank overwogen dat deze beperking geen gevolgen heeft voor de door het Uwv vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Daarom is deze beperking in deze procedure niet van belang. Uitgaande van de beperkingen zoals die in de FML zijn vastgelegd, moet appellante naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht de door de arbeidskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv ten onrechte de datum van 7 november 2018 als eerste ziektedag heeft aangemerkt. Appellante heeft tot 15 februari 2019 haar eigen werkzaamheden voor 100% verricht, daarom dient die datum als uitgangspunt voor de eerste ziektedag te gelden. Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met haar rugklachten, visusklachten en met neurologische beperkingen als gevolg waarvan zij energetisch beperkt is. De beperkingen worden veroorzaakt door een virale infectie die zich via het oog onder invloed van sterk afweer-onderdrukkende medicatie verder heeft verspreid naar de rechterkant van haar hoofd en nek met uitstraling naar het gezicht en later ook langs de rug links. Hierdoor heeft zij schade en vaak pijn. Dit verergert bij het verrichten van te veel dezelfde inspanning langer achter elkaar. De aan haar voorgehouden functies met repeterende handelingen zijn onhaalbaar en schadelijk. Appellante is het ook niet eens met de vastgestelde beperking ten aanzien van het aspect klachtencontacten en vindt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv is aangenomen. Uit diverse verklaringen van haar behandelaars en van de bedrijfsarts blijkt volgens appellante dat zij voor niet meer dan 10 uren per week met arbeid te belasten is geweest. Appellante heeft informatie ingezonden van een oogarts van het OLVG, een oogarts van Bergman Clinics, een oogarts van het VUMC, de uitslag van MRI-onderzoek van de nek en een evaluatie van een bedrijfsarts. Appellante heeft verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van 49,08% terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De stelling van appellante, dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet juist is vastgesteld, wordt niet gevolgd. Het Uwv is terecht uitgegaan van 7 november 2018 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Onder verwijzing naar een e-mail van de werkgever van 26 september 2022 heeft het Uwv genoegzaam gemotiveerd dat appellante als gevolg van haar beperkingen de werkzaamheden in haar maatgevende arbeid op 7 november 2018 niet meer in volle omvang kon verrichten. Er is geen reden is om van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag uit te gaan dan 7 november 2018. Voor het standpunt van appellante kan geen steun worden gevonden in de gedingstukken.
5.4.
Ook wat appellante in hoger beroep verder heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank, dat de artsen van het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek hebben gedaan naar de klachten van appellante en hun conclusies inzichtelijk hebben gemotiveerd, wordt onderschreven. Ook heeft de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de artsen van het Uwv de beperkingen van appellante hebben onderschat. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 januari 2026 is voldoende gemotiveerd dat de in hoger beroep door appellante ingezonden informatie geen nieuwe medische inzichten oplevert voor de datum in geding. De stukken waren al bekend en meegewogen in de eerdere bezwaar- en beroepsprocedure of van ruim na datum in geding. Dat appellante nieuwe/recidiverende oogklachten ervaart, heeft geen betrekking op haar belastbaarheid op de datum in geding en kan daarom niet meegewogen worden. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld dat er geen evidente afwijkingen naar voren komen in het verslag van de MRI van de nek van december 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat bij de beoordeling per 3 januari 2022 is meegewogen dat bij appellante sprake is van oogklachten op basis van herpetische keratitis met enigszins troebele visus van het rechteroog en klachten mogelijk ten gevolge van corneaal litteken danwel droge ogen, waarbij het beeldschermwerk in duur al beperkt is geacht. Dat appellante hiermee te kort is gedaan, blijkt niet uit de medische informatie. Wat betreft het aspect klantencontact, is in de beroepsfase in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 november 2023 al toegelicht dat een lichte beperking is gehanteerd in het kader van energetische belastbaarheid, waarbij continue en intensieve contacten bij de geclaimde vermoeidheid te belastend zijn. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 14 november 2023, aangevuld met het rapport van 23 januari 2026, inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd uiteengezet dat er op 3 januari 2022 geen aanleiding is voor een urenbeperking.
Arbeidskundige beoordeling
5.5.
Bij de vaststelling van het maatmaninkomen is het Uwv terecht uitgegaan van 7 november 2018 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Uitgaande van de juistheid van de FML van 27 september 2022 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante. De door appellante gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen en deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. Gelet daarop bestaat geen aanleiding een deskundige te benoemen, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellante waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 3 januari 2022 is vastgesteld op 49,08% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) M.D.F. de Moor

Voetnoten

1.CRvB 3 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1494.
2.CRvB 3 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2388.