ECLI:NL:CRVB:2026:57

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
22/3766 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en medische onderbouwing

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van het Uwv om appellant geen WIA-uitkering toe te kennen. Appellant, die zich ziekmeldde met pijnklachten aan zijn linkerheup, stelde dat hij meer beperkingen had dan het Uwv had aangenomen. Het Uwv had vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, wat leidde tot de weigering van de uitkering. De Raad benoemde een deskundige, drs. M. Vervoort, die het medische standpunt van het Uwv bevestigde. De deskundige concludeerde dat de FML van het Uwv adequaat was en dat er geen medische grond was voor verdergaande beperkingen. De rechtbank Gelderland had eerder het beroep van appellant ongegrond verklaard, en de Raad bevestigde deze uitspraak. Appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 oktober 2022, 22/396 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 15 juni 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad heeft een verzekeringsarts als deskundige benoemd, die het medische standpunt van het Uwv heeft onderschreven. De Raad volgt de deskundige en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 maart 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft drs. M. Vervoort, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 13 mei 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen op dit rapport ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als halmedewerker voor 40 uur per week. Op 18 juni 2019 heeft hij zich ziekgemeld met pijnklachten aan zijn linkerheup. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 mei 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en op grond daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 30,96%. Het Uwv heeft bij besluit van 17 juni 2021 geweigerd appellant met ingang van 15 juni 2021 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 14 december 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2021 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 december 2021 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 9 december 2021 een gewijzigde FML vastgesteld, waarin een aantal eerder vastgestelde beperkingen zijn verwijderd of verlicht. Zo heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder meer overwogen dat geen aanleiding is voor de eerder vastgestelde urenbeperking van 8 uur per dag en 40 uur per week. Wel heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperking voor het werken in de nacht en na 21.00 uur in de avond en de – lichte tot sterkere – beperkingen in de rubrieken 3 (fysieke omgevingseisen), 4 (dynamische handelingen) en 5 (statische houdingen) gehandhaafd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft deels nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 28,39%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest. Daartoe is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de hoorzitting met appellant heeft bijgewoond, de beschikbare medische gegevens heeft beoordeeld en appellant lichamelijk heeft onderzocht. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant onjuist heeft ingeschat. In het rapport van 22 november 2021 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd ingegaan op de pijnklachten van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanwijzingen gezien voor een energetisch tekort als gevolg van die pijnklachten. Uit het lichamelijk onderzoek en de hoorzitting zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat appellant ernstige pijnklachten of vermoeidheid ervaart. Appellant gebruikt, anders dan paracetamol, geen pijnmedicatie en er zijn geen aanwijzingen dat zijn biologisch ritme is verstoord. Naast de pijnklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar andere mogelijke oorzaken voor een energetische beperking gekeken. De heupklachten waarmee appellant zich eerder heeft ziekgemeld, leveren geen beperking op in de energiehuishouding en leiden niet tot een toegenomen recuperatiebehoefte. Appellant volgt geen (intensieve) behandeling voor zijn klachten waardoor hij beperkt beschikbaar is. Ook is er geen risico op gezondheidsschade als appellant een bepaald aantal uren zou werken. Een verdere urenbeperking uit voorzorg (preventie) is daarom niet aan de orde. Appellant heeft in beroep ook geen nieuwe medische informatie ingebracht die tot een andere conclusie zou moeten leiden.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat als gevolg van (toegenomen) pijnklachten aan schouder, rechterbeen, onderrug en heup sprake is van een energetisch tekort dat een indicatie is voor een verdere urenbeperking. Appellant heeft verwezen naar de bezwaar- en beroepsgronden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant rapporten van verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort en arbeidsdeskundige M. Overduin van 10 januari 2024 overgelegd. Van Amelsfoort heeft een FML opgesteld met aanvullende beperkingen voor gehoor-, rechterschouder-, heup- en pijnklachten en daarnaast een urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week. Overduin heeft geconcludeerd dat op basis van de FML van Van Amelsfoort geen van de geselecteerde functies geschikt zijn. Van Amelsfoort heeft op 4 maart 2024 nog aanvullend gerapporteerd.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft in hoger beroep aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 januari 2024 en 8 maart 2024 ingediend.
Benoeming deskundige
3.3.
Gelet op het verschil in standpunten tussen de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts Van Amelsfoort en de verzekeringsartsen van het Uwv over de belastbaarheid van appellant heeft de Raad een deskundige benoemd. De door de Raad ingeschakelde deskundige verzekeringsarts drs. Vervoort heeft op 13 mei 2025 een rapport uitgebracht. De deskundige heeft geconcludeerd dat er geen medische grond is voor het aanpassen van de FML van 9 december 2021. De aanwezige klachten, waaronder heup, rug- en schouderklachten, worden volgens de deskundige voldoende beperkt in de FML. Verdergaande beperkingen zoals voorgesteld door Van Amelsfoort zijn volgens de deskundige niet in lijn met de objectieve medische gegevens.
3.4.
Partijen hebben hun zienswijzen op het rapport van de deskundige gegeven. Het Uwv heeft opgemerkt dat de deskundige het eens is met het standpunt van het Uwv en dat daarom geen aanleiding is tot wijziging van het standpunt van het Uwv. Appellant heeft het rapport van de deskundige voorgelegd aan Van Amelsfoort, die in een aanvullende rapportage van 21 mei 2025 heeft opgemerkt geen reden te zien om op zijn eerdere rapportages terug te komen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de WIA-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.1.
In het rapport van 13 mei 2025 heeft de deskundige vermeld dat appellant bekend is met een aangeboren heupafwijking, een aandoening waarvan het verloop op latere leeftijd gepaard kan gaan met artrose en daarmee samenhangende klachten en beperkingen. Appellant ervaart sinds langere tijd heuppijn, waarvoor hij wordt behandeld met pijnstilling en fysiotherapie. Er was op de datum in geding geen indicatie voor operatief ingrijpen, maar er is wel sprake van een aantal geobjectiveerde beperkingen, te weten radiologische afwijkingen, beenlengteverschil, scoliose en pijn bij provocatie en verminderde stabiliteit. Deze bevindingen komen volgens de deskundige overeen met de klachten zoals deze door appellant worden gemeld en zijn volgens deskundige consistent met de medische bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Van Amelsfoort heeft appellant verdergaand beperkt geacht op meerdere gebieden, zoals lopen, dragen en traplopen, maar lijkt daarbij te zijn uitgegaan van de anamnestisch gestelde belemmeringen. Subjectieve klachten spelen een rol in de beoordeling, maar dienen gewogen te worden binnen de context van de objectieve medische gegevens en observaties. In dit geval blijkt uit de beschikbare medische informatie, de orthopedische verslagen en radiologische afwijkingen, geen grond voor het aannemen van verdergaande beperkingen.
4.2.2.
Voor wat betreft de rechterschouder heeft de deskundige geconstateerd dat sprake is van een inconsistent en weinig verifieerbaar klachtenbeeld met wisselend behandelplan. De afwezigheid van enige medische documentatie over schouderklachten duidt erop dat de klachten als gericht kunnen worden ingeschat. Ook tijdens het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep werden geen relevante beperkingen vastgesteld aan de rechterschouder. Bij Van Amelsfoort wordt een onsamenhangend lichamelijk onderzoek vermeld, waar de schouder en heup onderzoeken moeizaam van elkaar te onderscheiden zijn en door elkaar worden vermeld. Een duidelijke bewegingsbeperking, krachtsverlies of verschil tussen actief of passieve bewegingsuitslagen zijn er niet uit op te maken. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat op basis van de beschikbare medische informatie de pijnklachten zonder duidelijke medische oorzaak als mild en niet invaliderend moeten worden beoordeeld. De linkerschouderklachten zijn buiten beschouwing gelaten omdat deze pas na de datum in geding zijn ontstaan als gevolg van een fractuur.
4.2.3.
Voor wat betreft de rugklachten heeft de deskundige overwogen dat deze secundair zijn aan het veranderde looppatroon als gevolg van de heupproblematiek en worden geduid als houdingsafhankelijke spiergerelateerde problemen. Hoewel de klachten aannemelijk zijn, zijn er volgens de deskundige geen absolute beperkingen aan toe te kennen. De aard en ernst van de klachten is beperkt en bij reguliere belasting van de rug is geen toename van ervaren klachten of belemmeringen te verwachten.
4.2.4.
Over het gehoorverlies, dat tijdens het onderzoek door Van Amelsfoort is vastgesteld, heeft de deskundige opgemerkt dat appellant in het dagelijks functioneren klaarblijkelijk geen problemen ervaart. Noch in werk, privé of eerdere medische onderzoeken werden problemen van het gehoor gemeld. Dit wijst op een beperkte ernst van het gehoorverlies zonder functionele consequenties.
4.2.5.
De deskundige heeft vervolgens overwogen dat op basis van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid er geen medisch ziektebeeld is dat leidt tot een verandering in de energiehuishouding. Ook is er op preventieve basis geen medische reden voor een urenbeperking. Uit de medische verslagleggingen van de verzekeringsartsen, de medisch specialisten uit de curatieve sector en de huisarts volgt niet dat appellant vergaande vermoeidheid ervoer waardoor er een toegenomen recuperatienoodzaak bestond per de datum in geding. Volgens de deskundige wordt er met het wegnemen van onregelmatige diensten en nachtdiensten voldoende rekening gehouden met de medische situatie van appellant.
4.2.6.
De deskundige heeft dan ook geconcludeerd dat er geen medische grond is voor het aanpassen van de FML zoals deze werd opgesteld door het Uwv.
4.3.1.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt, tenzij bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel kunnen rechtvaardigen. [1] De Raad ziet geen reden in dit geval om een uitzondering op deze hoofdregel aan te nemen. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en concludent. Er zijn geen overtuigende argumenten aangevoerd die aanleiding geven de conclusie van de deskundige niet te volgen.
4.3.2.
De reactie van Van Amelsfoort op het rapport van de deskundige leidt niet tot een ander oordeel. Deze reactie bevat geen medische informatie of nieuwe argumenten die niet eerder door Van Amelsfoort zijn ingebracht. De deskundige heeft in het rapport van 13 mei 2025 de opmerkingen en argumenten van Van Amelsfoort uitdrukkelijk bij haar beoordeling meegewogen en inzichtelijk gemotiveerd waarom deze argumenten volgens haar niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen. De conclusie van de deskundige wordt dan ook gevolgd. Dat betekent dat wordt uitgegaan van de juistheid van de in de FML van 9 december 2021 vastgestelde belastbaarheid.
Arbeidskundige beoordeling
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 9 december 2021 zijn de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt voor appellant. De door appellant ingeschakelde arbeidsdeskundige Overduin is op grond van de door Van Amelsfoort opgestelde FML tot de conclusie gekomen dat de functies niet geschikt zijn, maar zoals hiervoor is overwogen wordt deze FML niet gevolgd.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3654.