Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:553

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/1089 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.P. Loof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 77,35% per 30 juli 2023

Appellante was werkzaam als directiesecretaresse en ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 juli 2023 vast op 77,35%, na een medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellante betwistte deze vaststelling en voerde aan dat haar beperkingen ernstiger zijn, mede vanwege een niet-aangeboren hersenletsel (NAH).

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat er voldoende medische en arbeidskundige gronden zijn voor de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid. De urenbelastbaarheid werd verruimd van vier naar zes uur per dag, mede omdat appellante haar huishouden runt en voor haar kind zorgt.

De Raad oordeelt dat de medische informatie en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) een juiste basis vormen en dat er geen aanleiding is voor een deskundigenonderzoek. Ook de arbeidskundige selectie van passende functies is adequaat. Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van 77,35% arbeidsongeschiktheid blijft in stand.

Uitkomst: De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 77,35% per 30 juli 2023 wordt bevestigd.

Uitspraak

25/1089 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 april 2025, 24/3147 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 30 juli 2023 heeft vastgesteld op 77,35%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A.M. van der Zandt, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens heeft mr. S.I. Schinkel, advocaat, de behandeling van de zaak overgenomen.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schinkel en [naam ambulant begeleider] , ambulant begeleider. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als directiesecretaresse voor 36,09 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 15 september 2021 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2023 appellante met ingang van 30 juli 2023 een WGAloonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
De ex-werkgever van appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarna onderzoek heeft plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 januari 2024. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 73,51%.
1.3.
Bij brief van 14 mei 2024 heeft het Uwv aan zowel appellante als de ex-werkgever het voornemen kenbaar gemaakt het besluit van 2 mei 2023 te wijzigen, in die zin dat appellante per 30 juli 2023 voor 73,51% arbeidsongeschikt is. Zowel appellante als de exwerkgever hebben hierop hun zienswijze gegeven. Bij besluit van 8 juli 2024 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante gewijzigd van 100% naar 73,51% per 30 juli 2023. De hoogte van de WGA-vervolguitkering verandert niet per 30 juli 2023. Na 24 kalendermaanden (op 1 augustus 2026) zal worden beoordeeld op welke uitkering appellante met ingang van die datum recht heeft.
1.4.
Hangende beroep is appellante op 4 november 2024 alsnog nader medisch onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft ook informatie opgevraagd bij de huisarts van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 23 december 2024 een gewijzigde FML vastgesteld. Naar aanleiding van deze wijziging van de belastbaarheid van appellante heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor appellante opnieuw functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 77,35%. Het Uwv heeft bij besluit van 9 januari 2025 (bestreden besluit 2) het besluit van 8 juli 2024 herroepen voor zover het de mate van arbeidsongeschiktheid betreft en de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 juli 2023 vastgesteld op 77,35%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 2 in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om meer of verdergaande beperkingen vast te stellen. Dat appellante heeft gesteld meer of ernstigere klachten te hebben en dat haar situatie ten opzichte van de eerdere beoordelingen niet is verbeterd, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat geconcludeerd moet worden tot extra arbeidsbeperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de FML ruime beperkingen voor zowel de mentale- als voor de fysieke gezondheidsklachten van appellante. De rechtbank is niet gebleken dat deze beperkingen onvoldoende of onjuist zijn. De informatie van de GGZ-arts die in beroep is overgelegd heeft de rechtbank niet doen twijfelen aan de beoordeling, omdat met de daarin genoemde diagnoses al rekening is gehouden. Daarnaast is navolgbaar gemotiveerd dat de urenbelastbaarheid is gewijzigd van vier uur per dag en 20 uur per week naar zes uur per dag en 30 uur per week. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich niet alleen op het dagverhaal baseert dat tijdens het spreekuur is uitgevraagd, maar ook op het dagverhaal dat is uitgevraagd door de primaire verzekeringsarts. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 3 januari 2025 en de daarbij gevoegde resultaat functiebeoordeling navolgbaar heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend zijn. De rechtbank heeft overwogen dat volgens vaste rechtspraak geldt dat de verzekerde zich in het geval van verlaging moet kunnen instellen op een gewijzigde inkomenssituatie en moet kunnen omschakelen/oriënteren op het gaan verrichten van loonvormende arbeid om de bij hem of haar aanwezige resterende verdiencapaciteit te benutten. Daarbij gaat het om de datum waarop de functies zijn aangezegd. In de situatie van appellante is dat gebeurd met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 9 januari 2025. Dit houdt in dat de periode van 24 kalendermaanden begint op 9 januari 2025 en dat bij ongewijzigde omstandigheden de inkomenseis pas zal ingaan op 1 februari 2027. Tot die tijd wijzigt de hoogte van de loonaanvullingsuitkering niet.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij zich niet kan vinden in de gehanteerde argumentatie van de rechtbank, en in hoger beroep onverkort haar standpunten handhaaft zoals ingenomen in beroep. De kern van het geschil betreft de verruiming van de urenbelastbaarheid van vier uur per dag en 20 uur per week naar zes uur per dag en 30 uur per week, waardoor appellante niet meer 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht, maar 77,35%. Appellante heeft er op gewezen dat een niet-aangeboren hersenletsel (NAH) bij haar is vastgesteld. Door het Uwv is geen objectieve medische verbetering vastgesteld ten opzichte van de einde wachttijd beoordeling in 2021 en er heeft geen aanvullend specialistisch onderzoek plaatsgevonden. Bij NAH geldt dat cognitieve uitval zich manifesteert bij belasting, dat overprikkeling leidt tot verslechtering, dat vermoeidheid een primair symptoom is en dat duurbelastbaarheid structureel beperkt kan zijn. De verruiming van de urenbelastbaarheid wordt door het Uwv in essentie gemotiveerd met een verwijzing naar het feit dat appellante voor haar kind zorgt. Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar medische informatie van [X], specialist ouderengeneeskunde/GGZ-arts neuropsychiatrie. Ter zitting heeft de ambulant begeleider van appellante haar standpunt dat de medische situatie van appellante niet is verbeterd, bevestigd. Vanwege de tegenstrijdige medische oordelen en een structurele neurologische diagnose had de rechtbank moeten overgaan tot benoeming van een deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit 2, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 juli 2023 is gesteld op 77,35%, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Wat appellante in hoger beroep en ter zitting over haar beperkingen heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank dat deze gronden niet slagen, wordt onderschreven, evenals de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
Het hoger beroep richt zich met name tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen argumenten zijn om een beperkter urenbelastbaarheid dan zes uur per dag en 30 uur per week aan te nemen. Bij de einde wachttijd beoordeling per 15 september 2021 is een urenbelastbaarheid aangenomen van vier uur per dag en 20 uur per week. Hiertoe is in een rapport van 9 september 2021 door een verzekeringsarts vastgesteld dat sprake was van verminderde energetische belastbaarheid mede op grond van de anamnese waaruit bleek dat appellante tien tot veertien uur per dag in bed lag. Forse obesitas was mede debet aan de verminderde energetische belastbaarheid. Bij de onderhavige beoordeling per 30 juli 2023 is een urenbelastbaarheid aangenomen van zes uur per dag en 30 uur per week. De primaire arts heeft in een rapport van 11 januari 2024 geconcludeerd dat een duurbelasting van vier uur per dag en 20 uur per week niet meer kan worden onderbouwd. Daarbij is overwogen dat appellante haar eigen huishouding runt en de zorg verricht voor haar zoontje van tien maanden. De arts heeft op energetische en preventieve grond een duurbeperking vastgelegd omdat appellante nog wel extra recuperatiemomenten nodig heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 december 2024 de vastgelegde beperking in de duurbelasting gemotiveerd aan de hand van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Daarbij is in de eerste plaats vastgesteld dat geen sprake is van een verminderde beschikbaarheid. Voorts is gesteld dat een duurbeperking mogelijk is, als er vanuit een ernstige aandoening een zodanig laag energieniveau is dat rusten overdag medisch noodzakelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de aard en ernst van het beschreven medische beeld maakt dat een duurbelastbaarheid van 6 uur per dag en 30 uur per week gerechtvaardigd is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarvoor bevestiging gezien in het rustmoment in het dagverhaal van appellante zoals in primair en in bezwaar is uitgevraagd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er geen medische redenen om een nog verdergaande duurbeperking aan te nemen wanneer appellante zich gaat belasten conform de FML van 23 december 2024, inclusief de in bezwaar door hem aangenomen aanvullende beperkingen.
5.4.
Er bestaat gelet op de aanwezige medische informatie in het dossier geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep per 30 juli 2023. Vooropgesteld wordt dat het in zijn algemeenheid niet zo is dat het Uwv elke afwijking van een eerdere beoordeling moet motiveren (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 7 oktober 2020 [1] en 30 augustus 2023). [2] Verder kan uit de door appellante ingebrachte medische informatie van haar behandelaars niet worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een verkeerd beeld had van de medische situatie van appellante op de datum in geding. Appellante heeft nog aangevoerd dat niet van haar dagverhaal mag worden uitgegaan, omdat ze maar wat geroepen heeft. Dit standpunt wordt niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante op 4 november 2024 op het spreekuur gezien en appellante opnieuw naar het dagverhaal gevraagd. Bovendien kan uit beide dagverhalen worden opgemaakt dat van een situatie van tien tot veertien uur per dag in bed liggen geen sprake meer is. In zoverre is de situatie dus anders dan bij de einde wachttijd beoordeling in 2021 toen een beperkter duurbelastbaarheid werd aangenomen. Ten slotte heeft een niet eerder bij de beoordeling van appellante betrokken verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 19 maart 2026 nog gereageerd op het door appellante in hoger beroep aangevoerde en op de door appellante ingezonden medische informatie. Deze heeft onderbouwd geconcludeerd dat er geen reden is om meer beperkingen in de duurbelastbaarheid van appellante aan te nemen.
5.5.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een deskundige.
Arbeidskundige beoordeling
5.6.
In hoger beroep zijn geen arbeidskundige gronden aangevoerd. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 juli 2023 op 77,35% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.P. Loof, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.

(getekend) J.P. Loof

(getekend) S. Ploum

Voetnoten

1.CRvB 7 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2371.
2.CRvB 30 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1676.