Appellant heeft op 5 april 2022 namens zijn nieuwe bewindvoerder een aanvraag om bijstand ingediend, maar het college kwalificeerde deze brief ten onrechte als een melding en beëindigde de aanvraagprocedure zonder te beslissen. Vervolgens werd bijstand toegekend vanaf 19 mei 2022, nadat een nieuwe aanvraag was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het college, stellende dat appellant verwijtbaar te laat een aanvraag had ingediend en dat de eerdere meldingen hun betekenis hadden verloren. Appellant ging tegen deze uitspraak in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief van 5 april 2022 een geldige aanvraag was waarop het college had moeten beslissen. Het college had de aanvraag niet mogen behandelen als melding en had appellant de gelegenheid moeten bieden om een onvolledige aanvraag te herstellen. Hierdoor is het bestreden besluit onrechtmatig.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college voor zover niet is beslist op de aanvraag van 5 april 2022. De Raad bepaalt dat bijstand wordt toegekend vanaf 5 april 2022 tot en met 18 mei 2022 en veroordeelt het college in de proceskosten en griffierecht van appellant.