Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:547

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/222 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:1 AwbArt. 4:2 AwbArt. 4:5 AwbArt. 41 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning bijstand met eerdere ingangsdatum wegens onterecht niet-beslissen op aanvraag

Appellant heeft op 5 april 2022 namens zijn nieuwe bewindvoerder een aanvraag om bijstand ingediend, maar het college kwalificeerde deze brief ten onrechte als een melding en beëindigde de aanvraagprocedure zonder te beslissen. Vervolgens werd bijstand toegekend vanaf 19 mei 2022, nadat een nieuwe aanvraag was ingediend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het college, stellende dat appellant verwijtbaar te laat een aanvraag had ingediend en dat de eerdere meldingen hun betekenis hadden verloren. Appellant ging tegen deze uitspraak in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief van 5 april 2022 een geldige aanvraag was waarop het college had moeten beslissen. Het college had de aanvraag niet mogen behandelen als melding en had appellant de gelegenheid moeten bieden om een onvolledige aanvraag te herstellen. Hierdoor is het bestreden besluit onrechtmatig.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college voor zover niet is beslist op de aanvraag van 5 april 2022. De Raad bepaalt dat bijstand wordt toegekend vanaf 5 april 2022 tot en met 18 mei 2022 en veroordeelt het college in de proceskosten en griffierecht van appellant.

Uitkomst: Bijstand wordt toegekend vanaf 5 april 2022 tot en met 18 mei 2022 wegens onterecht niet-beslissen op de eerste aanvraag.

Uitspraak

24/222 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2023, 23/825 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] laatstelijk wonende te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)
Datum uitspraak: 4 mei 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de vraag of appellant recht heeft op bijstand met ingang van een eerdere ingangsdatum dan de datum met ingang waarvan het college hem bijstand heeft verleend. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Het college heeft de eerste aanvraag van appellant ten onrechte als een melding aangemerkt en als zodanig in behandeling genomen en vervolgens afgesloten. Het college heeft ten onrechte niet op de eerste aanvraag beslist.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.N.G. Brok, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Met een brief van 18 december 2025 heeft mr. Brok zich teruggetrokken als gemachtigde. Hij heeft daarbij meegedeeld dat hij geen contact meer heeft met appellant, dat het bewind over appellant is opgeheven en dat appellant niet meer staat ingeschreven in de Basisregistratie personen.
De behandeling van de zaak op 24 maart 2026 is aangekondigd in de Staatscourant.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 maart 2026. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Dongen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 5 april 2022 heeft de nieuwe bewindvoerder van appellant contact opgenomen met het college en namens appellant bijstand aangevraagd. De bewindvoerder heeft daarbij vermeld dat de bijstand van appellant sinds 3 december 2021 is beëindigd, mogelijk vanwege nalatigheid van de voormalige bewindvoerder.
1.2.
Omdat appellant een pandverbod had en de Nederlandse taal niet beheerste, heeft op 7 april 2022 een telefonische intake plaatsgevonden tussen een werkconsulent en appellant en zijn begeleider vanuit [X]. Met een e-mailbericht van 11 april 2022 heeft de werkconsulent de bewindvoerder verzocht om uiterlijk 19 april 2022 een digitale aanvraag in te dienen door middel van een bijgevoegde link.
1.3.
Met een brief van 19 april 2022 heeft een consulent inkomen meegedeeld dat de aanvraagprocedure naar aanleiding van de melding op 5 april 2022 is beëindigd, omdat de bewindvoerder de digitale aanvraag niet heeft ingediend. De bewindvoerder heeft op 20 april 2022 laten weten dat hij de aanvraag niet kon indienen, omdat hij niet beschikt over de DigiD van appellant. Met een e-mailbericht van 21 april 2022 heeft de werkconsulent meegedeeld dat de bewindvoerder opnieuw een afspraak kan maken voor een aanvraag en dat het ook mogelijk is om een schriftelijke aanvraag te doen indien hij niet over de DigiD van appellant kan beschikken.
1.4.
Op 22 april 2022 heeft de bewindvoerder contact opgenomen met het college om bijstand aan te vragen voor appellant waarbij is afgesproken dat de werkconsulent op 25 april 2022 telefonisch contact zal opnemen met de bewindvoerder. Omdat de bewindvoerder op 25 april 2022 telefonisch onbereikbaar was, heeft de werkconsulent bepaald dat er een nieuwe melding moet worden gedaan.
1.5.
Op 25 april 2022 heeft de bewindvoerder van appellant opnieuw contact opgenomen met het college om bijstand aan te vragen. Naar aanleiding van dit contact heeft de werkconsulent met appellant en zijn begeleider een telefonische afspraak gemaakt voor 4 mei 2022. Op deze datum was de begeleider telefonisch onbereikbaar. Met een brief van 11 mei 2022 heeft de consulent inkomen aan de bewindvoerder meegedeeld dat de aanvraagprocedure is beëindigd en dat appellant telefonisch contact moet opnemen als hij alsnog een uitkering wil aanvragen.
1.6.
Op 19 mei 2022 heeft de bewindvoerder van appellant nogmaals contact opgenomen met het college om bijstand aan te vragen. Op 23 mei 2022 heeft de werkconsulent appellant en zijn begeleider telefonisch gesproken. Op 24 mei 2022 heeft de werkconsulent een aanvraagformulier gemaild aan de begeleider van appellant opdat een aanvraag op papier kon worden ingediend. De werkconsulent heeft op 13 juni 2022 een rappel gemaild aan de begeleider en de bewindvoerder. Met een e-mailbericht van 13 juni 2022 heeft de bewindvoerder de aanvraag ingediend met als gewenste ingangsdatum 5 april 2022.
1.7.
Het college heeft met een besluit van 26 juli 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 2 februari 2023 (bestreden besluit), met ingang van 19 mei 2022 bijstand aan appellant toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten en omstandigheden geen aanleiding geven om de bijstand al toe te kennen met ingang van 5 april 2022 of 25 april 2022. Het is appellant te verwijten dat hij niet eerder een aanvraag heeft ingediend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het college terecht heeft gesteld dat de aanvraag niet zo spoedig mogelijk na de melding van 5 april 2022 respectievelijk 25 april 2022 is ingediend en dat appellant hiervan een verwijt te maken valt. Dat appellant hulpbehoevend is en de Nederlandse taal niet spreekt, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft steeds contact gehouden met zowel de bewindvoerder als de begeleider van appellant. Met deze handelwijze heeft het college oog gehad voor de persoonlijke situatie van appellant. Hieruit volgt dat de meldingen van 5 april 2022 en 25 april 2022 hun betekenis hebben verloren en dat het college de ingangsdatum terecht op 19 mei 2022 heeft vastgesteld. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor appellant geen nadelige gevolgen zijn van de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet (PW) die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. Inherent aan het oordeel van de rechtbank dat de eerdere meldingen hun betekenis hebben verloren, omdat appellant verweten kan worden dat hij niet zo spoedig mogelijk een aanvraag heeft ingediend, is dat hij een nieuwe melding moet doen. Het feit dat dat voor appellant financieel nadelig is, is geen onvoorziene omstandigheid. De rechtbank komt daarom aan de beoordeling of de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de PW in de situatie van appellant in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel niet toe.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hieronder besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 5 april 2022, de datum met ingang waarvan appellant bijstand wenst te ontvangen, tot 19 mei 2022, de datum met ingang waarvan het college bijstand heeft verleend aan appellant (te beoordelen periode).
4.2.
De bijstand wordt in beginsel verleend met ingang van de dag waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Dit volgt volgens vaste rechtspraak uit artikel 44, eerste lid, van de PW. [1] Als de betrokkene de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, verliest de melding zijn betekenis. Dit is vaste rechtspraak. [2] Het college kan dan besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend. Dit volgt uit het derde lid.
4.3.
Appellant voert in de kern aan dat het college ten onrechte herhaaldelijk de procedure heeft beëindigd zonder daarbij acht te slaan op de omstandigheden van het geval en zonder de mogelijkheid tot herstel. Volgens appellant moet daarom de bijstand worden toegekend per 5 april 2022 of in ieder geval per 25 april 2022. Deze beroepsgrond slaagt.
4.3.1.
Ter zitting heeft het college op vragen van de Raad toegelicht dat de brief van 5 april 2022 als een melding is aangemerkt. Volgens een vaste gedragslijn van het college heeft vervolgens een intakegesprek plaatsgevonden en heeft de bewindvoerder de gelegenheid gekregen om binnen vijf werkdagen een aanvraag in te dienen. Omdat de aanvraag niet binnen de gestelde termijn is ingediend, is de aanvraagprocedure beëindigd en moest appellant opnieuw een melding doen. Pas na de melding op 19 mei 2022 is de aanvraag ingediend waarop het college het toekenningsbesluit heeft genomen.
4.3.2.
Het college heeft de brief van 5 april 2022 waarin de bewindvoerder namens appellant bijstand aanvraagt, ten onrechte als een melding aangemerkt. In die brief staat namelijk: “Wij vernamen dat de uitkering van betrokkene sinds 3 december, mogelijk vanwege nalatigheid van de voormalige bewindvoerder, is beëindigd. [...]
Daarnaast vragen wij hierbij namens betrokkene graag opnieuw een bijstandsuitkering aan.” Dit is een aanvraag die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4:1 en Pro 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het betreft daarmee een uitdrukkelijk verzoek aan het college om een besluit te nemen op een aanvraag om bijstand. De brief van 5 april 2022 moet daarom worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb in verbinding met artikel 41, eerste lid, van de PW. Dat het college een vaste werkwijze hanteert, betekent niet dat het college om die reden vrijstaat het verzoek als melding te kwalificeren. [3]
4.3.3.
Mogelijk was sprake van een onvolledige aanvraag, maar als de aanvraag van 5 april 2022 niet voldeed aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen daarvan, had het college de aanvraag buiten behandeling kunnen laten, mits appellant op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb de gelegenheid tot herstel was geboden. Het college heeft echter geen toepassing gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb.
4.4.
Uit 4.3.1 en 4.3.2 volgt dat op 5 april 2022 een aanvraag om bijstand is gedaan waarop het college had moeten beslissen. Dit betekent dat over de te beoordelen periode alsnog een beslissing moet genomen worden over het recht op bijstand van appellant. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
4.5.
Gelet op 4.4 hoeven de overige beroepsgronden niet te worden beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet voor zover het college niet heeft beslist op de aanvraag van 5 april 2022. Omdat het college ter zitting heeft verklaard dat er verder geen beletselen zijn voor toekenning van de bijstand over de te beoordelen periode, zal de Raad zelf in de zaak voorzien. De Raad zal het besluit van 26 juli 2022 herroepen voor zover het college niet heeft beslist op de aanvraag van 5 april 2022 en bepalen dat aan appellant (aanvullend) bijstand naar de voor hem geldende norm wordt toegekend over de periode van 5 april 2022 tot en met 18 mei 2022.
6. Omdat appellant gelijk krijgt, krijgt hij een vergoeding voor de kosten die hij in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt voor verleende rechtsbijstand. De proceskosten worden begroot op € 4.134,- (2 punten voor het indienen van het bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting met een waarde van € 666,- per punt, 3 punten voor het indienen van het beroepschrift en het hoger beroepschrift en het bijwonen van de zitting in beroep, met een waarde van € 934,- per punt). Appellant krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 2 februari 2023 gegrond en vernietigt het besluit van 2 februari 2023 voor zover het college niet heeft beslist op de aanvraag van 5 april 2022;
  • herroept het besluit van 26 juli 2022 in zoverre, bepaalt dat aan appellant over de periode van 5 april 2022 tot en met 18 mei 2022 bijstand naar de voor hem geldende norm wordt toegekend en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 2 februari 2023;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.134,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat als voorzitter en C. Karman en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.

(getekend) M. Wolfrat

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
Artikel 4:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
Artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.
Artikel 41, eerste lid, van de Participatiewet
De aanvraag is gericht tot het college en wordt overeenkomstig artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Na de overdracht van de aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan het college ingevolge artikel 30c, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de aanvraag verder behandeld door het college.
Artikel 43, eerste lid, van de Participatiewet
Het college stelt het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
Artikel 44 van Pro de Participatiewet
1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn geregistreerd, en:
a. indien artikel 41, vierde lid, van toepassing is: hij door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op de hoogte is gesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en de inhoud van artikel 41;
b. indien artikel 41, vierde lid, niet van toepassing is: hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of derde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede lid.
3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.
(…)
Artikel 30c, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen neemt, onverminderd artikel 41, tweede lid, van de Participatiewet, aanvragen in ontvangst van algemene bijstand op grond van de Participatiewet dan wel van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Bij het in ontvangst nemen van de aanvraag legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de datum van de aanvraag vast en op welke dag hij naam, adres en woonplaats van de belanghebbende heeft geregistreerd en hem in staat heeft gesteld zijn aanvraag in te dienen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9088.
3.Vergelijk de uitspraak van 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1381, onder 5.6 en verder.