Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet, maar zijn aanvraag werd afgewezen omdat hij over meer vermogen beschikte dan het vrij te laten bedrag. Het vermogen bestond uit saldi op een bankrekening en een gekoppelde spaarrekening, alsmede een auto. Appellant stelde dat hij niet over het spaargeld en de auto kon beschikken, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het saldo op de bankrekening en de gekoppelde spaarrekening samen het vrij te laten vermogen overschreden en dat appellant feitelijk over deze gelden kon beschikken. De stelling dat het spaargeld van zijn moeder was en dat hij beperkt was in zijn beschikkingsmacht werd niet onderbouwd.
Daarnaast kende de Raad appellant een schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, die ruim twee maanden te lang duurde. De Staat werd ook veroordeeld in de proceskosten van appellant voor het verzoek om schadevergoeding. Het hoger beroep werd afgewezen, waardoor het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag in stand bleef.