Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:518

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
25/559 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WIA art. 1Wet WIA art. 6Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 1Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 15Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 16
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaald WIA-voorschot en juiste dagloonvaststelling

Appellante was werkzaam bij twee werkgevers en meldde zich ziek in 2021 en 2022. Het UWV kende haar een voorschot op de WIA-uitkering toe op basis van een vastgesteld dagloon van € 76,29. Later stelde het UWV vast dat zij een bedrag van € 1.452,42 te veel had ontvangen en vorderde dit terug. Appellante voerde aan dat het dagloon onjuist was vastgesteld en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, onder meer vanwege haar psychische situatie en financiële gevolgen.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het UWV het dagloon juist had berekend op basis van polisadministratiegegevens en dat appellante onvoldoende had aangetoond dat het loon hoger was. Ook was er geen dringende reden om terugvordering te voorkomen, mede omdat het UWV de fout binnen twee maanden herstelde en rekening hield met de financiële situatie van appellante.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelt dat het UWV terecht alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen, inclusief het eigen aandeel in de fout en de kennis die appellante had over het te veel ontvangen voorschot. De Raad wijst erop dat het voorschot een voorlopige vaststelling is en dat appellante op de hoogte was van mogelijke aanpassingen. De financiële situatie en psychische problematiek van appellante leiden niet tot een dringende reden om af te zien van terugvordering.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt, het dagloon en de terugvordering in stand blijven en appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het onverschuldigd betaalde WIA-voorschot blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/559 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2025, 24/4412 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 6 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het WIA-dagloon per 5 september 2023 terecht heeft vastgesteld op € 76,29 en of het Uwv terecht een bedrag van € 1.452,42 aan onverschuldigd betaald voorschot op de WIA-uitkering heeft teruggevorderd. Volgens appellante had het Uwv moeten uitgaan van een hoger dagloon, en is er een dringende reden om van terugvordering af te zien. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. Koenen, kantoorgenoot van mr. De Gruijl. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was vanaf 14 juli 2020 werkzaam als medewerker klantenservice voor twintig uur per week bij [naam B.V.1] ( [naam B.V.1] ). Daarnaast was zij vanaf 12 juli 2021 werkzaam als klantenservicemedewerker voor negentien uur per week bij [naam B.V.2] ( [naam B.V.2] ). Op 7 september 2021 heeft zij zich ziekgemeld voor de werkzaamheden bij [naam B.V.2] . Op 15 februari 2022 heeft appellante zich ziekgemeld voor haar werkzaamheden bij [naam B.V.1] . Beide werkgevers hebben het loon van appellante gedurende de wachttijd van twee jaar doorbetaald.
1.2.
Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2023 een voorschot op grond van de Wet WIA (hierna: voorschot) toegekend op basis van een voorlopig WIA-maandloon van € 1.659,30 bruto per maand. Het Uwv heeft de maandelijkse betaling vastgesteld op € 1.075,54 bruto, exclusief vakantiegeld.
1.3.
Bij besluit van 8 november 2023 (primair besluit 1) heeft het Uwv appellante per 5 september 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Het Uwv heeft het WIA-maandloon (weer) vastgesteld op € 1.659,30 bruto per maand, wat neerkomt op een dagloon van € 76,29. Het Uwv heeft op dit WIA-maandloon een bedrag aan inkomsten van € 1.022,25 in mindering gebracht, zijnde de loondoorbetaling door [naam B.V.1] in verband met de aldaar per 15 februari 2022 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft de maandelijkse betaling vastgesteld op (€ 637,05 x 75% =) € 477,78 bruto, inclusief vakantiegeld. Het Uwv heeft het voorschot beëindigd per 5 september 2023.
1.4.
Bij besluit van 21 november 2023 (primair besluit 2) heeft het Uwv vastgesteld dat appellante over de periode van 5 september 2023 tot en met 31 oktober 2023 een bedrag van € 1.452,42 bruto te veel aan voorschot heeft ontvangen en heeft dit bedrag van haar teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 26 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. In het kader van het bezwaar tegen primair besluit 1 heeft het Uwv gesteld dat, uitgaande van de loongegevens zoals doorgegeven door de werkgevers en de loonstroken van appellante over de referteperiode, is uitgegaan van een juist sociaal verzekeringsloon (sv-loon) van € 16.977,57 en een WIAdagloon van € 76,29. Daar komt volgens het Uwv bij dat appellante in bezwaar niet heeft kunnen aantonen waarom het sv-loon over de referteperiode zou moeten worden vastgesteld op het door haar gestelde bedrag van € 17.754,-. Het Uwv heeft in het kader van het bezwaar tegen primair besluit 2 toegelicht dat appellante over de periode van 5 september 2023 tot en met 31 oktober 2023 een bedrag van € 1.452,42 te veel aan WIAuitkering heeft ontvangen, omdat het Uwv ten onrechte de loondoorbetaling van [naam B.V.1] niet in mindering heeft gebracht op de WIA-uitkering. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante deze WIA-uitkering moet terugbetalen omdat zij kon weten dat zij gedurende die periode teveel aan WIA-uitkering ontving. Zij ontving immers naast haar WIA-uitkering ook een loondoorbetaling van [naam B.V.1] . Volgens het Uwv is er geen dringende reden om van (gedeeltelijke) terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar beroepsgrond dat het Uwv haar dagloon op onjuiste wijze heeft berekend. Uit de in het dossier aanwezige berekening blijkt dat het Uwv het dagloon heeft berekend over de periode van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021 op basis van de gegevens in de polisadministratie. De enkele verwijzing door appellante naar de loonstroken die bij het Uwv aanwezig zijn, die ook nog eens slechts één van de twee werkgevers omvatten bij wie appellante destijds werkzaam was en een ruimere periode beslaan dan waarop het dagloon is berekend, heeft de rechtbank onvoldoende betwisting geacht van de hoogte van het dagloon. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om aan de berekening van het Uwv te twijfelen.
2.2.
De rechtbank heeft appellante ook niet gevolgd in haar beroepsgrond dat sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv bij de beoordeling of er aanleiding is om op grond van dringende redenen van terugvordering af te zien, alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen. Vast staat dat de oorzaak van de terugvordering aan het Uwv is te wijten, nu het Uwv bij de vaststelling van de berekening van het voorschot ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het door appellante ontvangen ‘loon’(ziekengeld) van [naam B.V.1] , als gevolg waarvan zij een te hoog bedrag aan voorschot heeft ontvangen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv er echter terecht op heeft gewezen dat appellante had kunnen weten dat zij te veel uitkering ontving omdat zij zowel een WIA-uitkering ontving als ziekengeld van [naam B.V.1] . Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht meegewogen dat de terugvordering niet onnodig hoog is opgelopen omdat het de fout binnen twee maanden heeft hersteld. Verder heeft het Uwv er in het besluit waarin het voorschot werd toegekend op gewezen dat het voorschot een schatting is van de uiteindelijke WIA-uitkering en dat de uitkering lager kan zijn dan het voorschot, bijvoorbeeld als er sprake is van inkomsten en dat in dat geval het te veel ontvangen voorschot moet worden terugbetaald. Appellante was er daarmee van op de hoogte dat haar recht op WIA-uitkering nog niet definitief was vastgesteld en mogelijk nog kon worden aangepast. Ten aanzien van de gevolgen van de terugvordering heeft het Uwv volgens de rechtbank in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd dat bij de invordering rekening wordt gehouden met de financiële situatie van appellante en de beslagvrije voet en dat inmiddels vast was komen te staan dat appellante geen aflossingscapaciteit had, waardoor zij de terugvordering op dat moment niet terug hoefde te betalen. Het Uwv heeft daar in zijn brief van 11 december 2024 aan toegevoegd dat vanwege het ontbreken van aflossingscapaciteit tot dat moment geen invordering heeft plaatsgevonden. De door appellante overgelegde brief van de psychiater van 21 oktober 2022 maakt ook niet dat sprake is van een dringende reden, nu deze brief is gedateerd voor de primaire besluiten en daarmee niet kan zien op de gevolgen van de terugvordering.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Appellante heeft herhaald dat het Uwv haar dagloon op onjuiste wijze heeft berekend. Daartoe heeft appellante, net als in de bezwaar- en beroepsfase, gesteld dat het Uwv het totale sv-loon heeft vastgesteld op € 16.977,57, terwijl uit de door haar overgelegde jaaropgaves en loonstroken blijkt dat in de referteperiode sprake is van een sv-loon van € 17.754,-. Ter zitting van de Raad heeft appellante aanvullend nog gesteld dat uit de loonstroken van [naam B.V.1] blijkt dat sprake is geweest van nabetalingen waar het Uwv ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. In het kader van de vraag of sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien heeft appellante gesteld dat het Uwv niet alle omstandigheden en feiten heeft meegewogen. Zo had zij niet kunnen weten dat zij per 5 september 2023 teveel uitkering ontving, omdat zij (mede door haar psychische situatie) niet op de hoogte was van de wet- en regelgeving en niet weet hoe de bedragen worden berekend. Appellante heeft er in dat kader ook op gewezen dat zij lijdt aan ernstige psychische problematiek, en heeft het frappant geacht dat zij had moeten weten dat haar WIA-uitkering niet klopte. Verder heeft appellante gesteld dat het niet uitmaakt dat het Uwv zijn fout snel heeft hersteld en dat in het kader van de invordering rekening wordt gehouden met de belastingvrije voet. Appellante heeft er verder op gewezen dat zij, doordat de (bij het besluit van 8 november 2023 toegekende) WIA-uitkering te laag was en zij niet in aanmerking kwam voor toeslagen een aanvullende bijstandsuitkering heeft moeten aanvragen. Als gevolg daarvan heeft appellante meer schulden gekregen. Daarmee is sprake van een onaanvaardbare financiële consequentie als gevolg van de foutieve berekening van het voorschot.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft toegelicht dat het WIA-dagloon is vastgesteld op basis van de in de polisadministratie aanwezige gegevens. Volgens het Uwv heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de door appellante in de bezwaarfase overgelegde stukken niet aantonen dat het sv-loon zoals in de polisadministratie is vermeld onjuist is. Het Uwv heeft zijn in beroep ingenomen standpunt dat appellante in september 2023 meer inkomen ontving dan zij voorheen met werken verdiende toegelicht. Het Uwv heeft gesteld dat appellante in september 2023 een bedrag van € 3.665,61 ontving, opgebouwd uit € 973,18 (WIA-uitkering), € 301,10 (toeslag op grond van de Toeslagenwet), € 1.636,58 (‘ZW’) en € 754,75 (loondoorbetaling van [naam B.V.1] ). In de maanden voorafgaand aan 5 september 2023 (de eerste WIA-dag) ontving appellante een bedrag rond € 2.800,-/€ 2.900,- per maand. Dat had voor appellante reden kunnen zijn om navraag te doen naar de juistheid van het vastgestelde voorschot. Dat appellante wegens medische redenen niet in staat was te begrijpen dat het voorschot niet klopte is naar de mening van het Uwv onvoldoende onderbouwd. Het Uwv heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat de terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen voor haar heeft. Het Uwv heeft er in dat verband op gewezen dat appellante de bescherming heeft van de beslagvrije voet, dat er geen invordering plaatsvindt omdat appellante onvoldoende financiële draagkracht heeft en dat de gevolgen van de terugvordering ook worden beperkt door de regels over kwijtschelding. Tot slot heeft het Uwv erkend dat het een aandeel heeft in de ontstane situatie, maar heeft erop gewezen dat deze situatie slechts twee maanden heeft geduurd waardoor het terugvorderingsbedrag beperkt is gebleven. Het Uwv ziet niet in waarom dit geen rol zou mogen spelen in het kader van de vraag of sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, waarbij de bezwaren tegen het vastgestelde dagloon van € 76,29 en de terugvordering van het voorschot van € 1.452,42 ongegrond zijn verklaard, in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Berekening WIA-dagloon
5.1.
Appellante heeft herhaald dat het Uwv haar dagloon op onjuiste wijze heeft berekend door uit te gaan van een sv-loon van € 16.977,57, terwijl uit de door haar overgelegde loonstroken blijkt dat in de referteperiode sprake is van een sv-loon van € 17.754,-. De rechtbank heeft deze beroepsgrond afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende grond niet slaagt. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daar wordt nog aan toegevoegd dat appellante ter zitting van de Raad weliswaar nog heeft gesteld dat uit de loonstroken blijkt dat sprake is van nabetalingen van [naam B.V.1] die het Uwv ten onrechte niet heeft meegenomen, maar dat ook met deze enkele stelling niet is aangetoond dat de door het Uwv gehanteerde gegevens in de polisadministratie niet juist zijn.
Dringende reden
5.2.
Niet in geschil is dat appellante over de periode van 5 september 2023 tot en met 31 oktober 2023 loon tijdens ziekte heeft ontvangen van [naam B.V.1] en dat deze inkomsten in mindering moeten worden gebracht op haar WIA-uitkering. Doordat het Uwv bij de vaststelling van het voorschot geen rekening heeft gehouden met het loon tijdens ziekte van [naam B.V.1] , heeft het Uwv tot een bedrag van € 1.452,42 bruto aan voorschot onverschuldigd betaald aan appellante. In hoger beroep ligt ter beoordeling voor of het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om af te zien van terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag aan voorschot.
5.3.
Als daarvoor dringende redenen zijn, kan het Uwv geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering. Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [1] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het Uwv of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving.
5.4.
De Raad is van oordeel dat het Uwv in de situatie van appellante zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. Het Uwv heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
5.5.
Het Uwv heeft onmiskenbaar een aandeel gehad in het ontstaan van de terugvordering omdat het Uwv bij de vaststelling van het voorschot ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de inkomsten van appellante uit loondoorbetaling tijdens ziekte door [naam B.V.1] . Het Uwv heeft op 8 november 2023, precies twee maanden na de toekenning van het voorschot, de hoogte van de WIA-uitkering definitief vastgesteld. Daarbij heeft het Uwv ook onderkend dat appellante naast haar voorschot ook andere inkomsten had, en dat appellante daardoor teveel aan voorschot heeft ontvangen. Niet gesteld kan worden dat aan de kant van het Uwv sprake was van (te) trage besluitvorming als gevolg waarvan terugvordering over een nodeloos lange periode moet plaatsvinden. Bovendien was sprake van een voorschot. Inherent aan een voorschot is dat het gaat om een voorlopige vaststelling van de hoogte van de WIA-uitkering. In het besluit van 8 september 2023, waarbij het voorschot aan appellante is toegekend, heeft het Uwv ook medegedeeld dat het voorschot een schatting is van de uiteindelijke WIA-uitkering, dat de uitkering lager kan zijn dan het voorschot, bijvoorbeeld omdat sprake is van inkomsten, en dat appellante in dat geval het te veel ontvangen voorschot moet terugbetalen. In de bijlage bij het besluit van 8 september 2023 heeft het Uwv het voorlopige WIA-maandloon met juistheid vastgesteld op € 1.659,30, zonder een toelichting te geven op de totstandkoming daarvan (de wijze waarop dit bedrag is berekend, welke gegevens daarin zijn meegenomen). Appellante heeft daaraan dan ook niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat het voorschot was gebaseerd op de juiste gegevens. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering is van belang dat appellante tot nu toe niet heeft afgelost op de terugvordering omdat zij geen aflossingscapaciteit heeft. Appellante heeft gesteld dat zij schulden (bij een gemeente) heeft, maar zij heeft dit standpunt niet onderbouwd met stukken. Gelet op deze omstandigheden komt de Raad tot de conclusie dat geen sprake is van een dringende reden.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het WIA-dagloon en de terugvordering van de WIA-uitkering in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) M.G.J. van Eck

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet WIA

Artikel 77
1. Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door Pro het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.
[…]
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
[…]

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Artikel 15
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
[…]
Artikel 16
1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
[…]

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.