ECLI:NL:CRVB:2026:50

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
25/736 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Wajong-uitkering en herbeoordeling arbeidsvermogen

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van een Wajong-uitkering aan appellante. Appellante had eerder een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die op 23 mei 2023 door het Uwv was afgewezen, omdat zij volgens het Uwv niet over arbeidsvermogen beschikte, maar deze situatie niet duurzaam was. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 17 september 2023 diende zij een nieuwe aanvraag in, waarbij zij aangaf dat er naast bestaande medische beperkingen een nieuwe diagnose was gesteld, namelijk de ziekte van Crohn. Het Uwv weigerde echter de aanvraag in behandeling te nemen, omdat er al een besluit was genomen. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar ongegrond.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het Uwv bevoegd was om de herhaalde aanvraag inhoudelijk te beoordelen en dat er geen reden was om aan de medische beoordeling van het Uwv te twijfelen. Appellante was het niet eens met deze uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting op 11 december 2025, waarbij zowel appellante als het Uwv via beeldbellen aanwezig waren.

De Raad heeft geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat appellante op de relevante data over arbeidsvermogen beschikte en dat het Uwv terecht de Wajong-uitkering heeft geweigerd. De Raad heeft de gronden van appellante in hoger beroep niet gevolgd en bevestigd dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht, omdat het hoger beroep niet slaagt.

Uitspraak

25/736 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 maart 2025, 24/4771 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van een besluit om appellante geen uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op 17 maart 2020 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) en op 14 februari 2023 (de dag waarop de eerste aanvraag om een Wajong-uitkering is ontvangen) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Oztas, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Voor appellante is via beeldbellen mr. Oztas verschenen. Het Uwv heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is geboren op 17 maart 2002. Zij heeft op 14 februari 2023 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 23 mei 2023 heeft het Uwv de aanvraag om een Wajong-uitkering afgewezen. Appellante beschikte volgens het Uwv niet over arbeidsvermogen, maar die situatie is niet duurzaam. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
Op 17 september 2023 heeft appellante een tweede aanvraag om een Wajonguitkering gedaan. Daarbij is vermeld dat naast al bestaande medische beperkingen in augustus 2023 een nieuwe diagnose is gesteld, namelijk de ziekte van Crohn. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 2 oktober 2023 laten weten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen omdat in mei 2023 al was besloten dat zij geen Wajonguitkering krijgt.
1.3.
Bij besluit van 26 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar na een inhoudelijke beoordeling ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medische gegevens uit 2023 van de behandelend MDL-arts, de neuroloog, de internist, de KNO-arts, de dermatoloog en een huisartsenjournaal over de periode 2006 tot 2023 bij de beoordeling betrokken en het standpunt ingenomen dat appellante ‒ anders dan bij de eerste aanvraag ‒ in januari 2023 beschikte over arbeidsvermogen.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat volgens vaste rechtspraak een herhaalde aanvraag naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Verder is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek om herziening inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Appellante heeft met haar aanvraag beoogd dat het Uwv terugkomt van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht).
2.2.
De rechtbank heeft met een beroep op een uitspraak van de Raad van 10 oktober 2023 [1] geoordeeld dat het Uwv zich bij het verzoek om herziening niet hoeft te beperken tot de vraag of het ontbreken van het arbeidsvermogen duurzaam is. Het Uwv is bevoegd om opnieuw en integraal te beoordelen of appellante recht heeft op een Wajong-uitkering.
2.3.
Verder heeft de rechtbank appellante niet gevolgd in haar stelling dat zij in een slechtere positie is gekomen. Het rechtsgevolg van het primaire besluit en het bestreden besluit is immers gelijk, namelijk dat geen recht bestaat op een Wajong-uitkering. Bovendien geldt dat, ook als geoordeeld zou zijn dat appellante op haar achttiende jaar geen arbeidsvermogen heeft, dit niet automatisch betekent dat zij na tien jaar zonder meer wordt aangemerkt als jonggehandicapte. Ook dan zal het Uwv moeten beoordelen of appellante gedurende tien jaar geen arbeidsvermogen heeft gehad.
2.4.
De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht. De diagnoses Crohn en fibromyalgie staan niet ter discussie en ook niet dat sprake is van pijn- en vermoeidheidsklachten. Het Uwv is gevolgd in zijn standpunt dat een lichamelijk onderzoek niets zou toevoegen aan de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder heeft de rechtbank ook inhoudelijk geen redenen gezien om aan de beoordeling van het Uwv te twijfelen. De in beroep overgelegde informatie van een neuroloog en de huisarts, die appellante heeft ingebracht om de duurzaamheid van de beperkingen aan te tonen, maakt de beoordeling niet anders. De vraag of het arbeidsvermogen duurzaam ontbreekt is volgens de rechtbank niet aan de orde, omdat appellante over arbeidsvermogen beschikt.
2.5.
In beroep heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat appellante over werknemersvaardigheden beschikt en een taak kan vervullen. De stelling van appellante dat zij de geselecteerde taak van scannen niet kan vervullen heeft de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat appellante daartoe niet in staat is geweest, omdat is uitgegaan van de medische problematiek van appellante die juist is geacht. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht omdat het Uwv pas in beroep een arbeidskundige beoordeling heeft gedaan.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft haar gronden in bezwaar en beroep gehandhaafd en aangevoerd dat het medisch onderzoek wegens het niet verrichten van een lichamelijk onderzoek onzorgvuldig is geweest. Verder had het Uwv volgens appellante uitsluitend mogen beoordelen of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Door een volledige heroverweging te maken is appellante in een nadeliger positie gekomen, omdat nu de tienjaarstermijn niet is gaan lopen. Ook de medische beoordeling door het Uwv vindt appellante niet juist.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 februari 2025 waarin is toegelicht dat tijdens het onderzoek een volledig beeld bestond van de medische situatie van appellante en dat er niet wordt getwijfeld aan de gestelde diagnoses. Een lichamelijk onderzoek heeft dan in dit geval geen toegevoegde waarde. Verder is er volgens het Uwv geen sprake van een slechtere positie door het instellen van bezwaar. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het Uwv stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat appellante vanaf eind juni 2025 20 á 30 uur per week in een schoenenwinkel werkt. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten. Dat doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is in de eerste plaats of het Uwv bevoegd was om na de tweede aanvraag van appellante haar arbeidsvermogen opnieuw te beoordelen, nadat naar aanleiding van haar eerste aanvraag was beslist dat zij niet over arbeidsvermogen beschikte. Voorts is in geschil of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 17 maart 2020 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) en op 14 februari 2023, de datum van ontvangst van de eerste Wajong-aanvraag, arbeidsvermogen heeft. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of appellante niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur of niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.
Integrale beoordeling na tweede aanvraag
4.3
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om appellante te volgen in haar stelling dat het Uwv na haar aanvraag van 17 september 2023 uitsluitend de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen had mogen beoordelen en geen volledig heronderzoek had mogen doen naar de vraag of appellante voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. Er bestaat geen rechtsregel die zich tegen zo’n integrale beoordeling verzet. Het staat niet vast dat sprake is van een verslechtering van de rechtspositie van appellante, omdat door de nieuwe beoordeling van haar arbeidsvermogen de tienjaarstermijn [2] niet is gaan lopen. Het Uwv heeft er met juistheid op gewezen dat het Uwv bij een dergelijke beoordeling nog een zelfstandige beoordeling doet vanaf het moment van ontbreken van het arbeidsvermogen en dat het speculatief zou zijn om nu reeds aan te nemen dat het arbeidsvermogen na tien jaar inderdaad duurzaam ontbreekt. Daarom kan nu niet worden gesteld dat appellante door de herbeoordeling van haar arbeidsvermogen in een slechtere positie is geraakt. Daarbij heeft het Uwv er bovendien op gewezen dat appellante vanaf juni 2024 in reguliere werkzaamheden ongeveer 20 uur per week werkzaam is. Daaruit kan worden afgeleid dat er ‒ zou er al in 2020 of 2023 sprake zou zijn van het ontbreken van arbeidsvermogen ‒ dat vanaf juni 2024 niet meer het geval is. Deze toelichting wordt niet onbegrijpelijk geacht.
Medische beoordeling
4.4.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over de medische beoordeling zijn in essentie een herhaling van wat appellante in beroep en bezwaar heeft aangevoerd. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht. De rechtbank heeft deze gronden besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid worden volledig onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.5.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van deze artsen. De stelling van appellante dat zij niet vier uur op een dag kan werken omdat bij de beoordeling van de belastbaarheid niet alleen moet worden uitgegaan van objectief medische gegevens, maar ook van consistente en plausibel geuite klachten, die passen binnen het ziektebeeld, slaagt niet. Het Uwv heeft rekening gehouden met alle door appellante en haar behandelaars gestelde diagnoses en benoemde klachten en daarvoor beperkingen aangenomen. Uit de overgelegde medische gegevens van appellante valt echter niet af te leiden, dat appellante niet vier uur per dag belastbaar zou zijn of niet ten minste een uur aaneengesloten zou kunnen werken.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellante op 17 maart 2020 en op 14 februari 2023 beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, is daarom niet aan de orde.
4.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

1.CRvB 10 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1870.
2.Als bedoeld in artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.