Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:495

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
25/713 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens instemming beëindiging dienstverband tijdens ziekte

Appellant was sinds 1 mei 2019 in dienst bij een werkgever en heeft met een beëindigingsovereenkomst van 17 maart 2022 zijn arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2022 beëindigd. Op 1 september 2022 meldde hij zich ziek met terugwerkende kracht vanaf 30 augustus 2021. Het Uwv kende hem een Ziektewetuitkering toe met een maatregel dat deze niet werd uitbetaald, omdat appellant instemde met beëindiging tijdens ziekte en daardoor zijn loonaanspraken verloor.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar trok het beroep daarop in. Vervolgens vroeg appellant per 14 november 2022 een WW-uitkering aan, die het Uwv toekende van 2 augustus 2022 tot 1 januari 2024. Op 31 mei 2023 trok het Uwv deze WW-uitkering in, omdat appellant recht had op een Ziektewetuitkering die niet werd uitbetaald vanwege zijn instemming met beëindiging tijdens ziekte, waardoor geen recht op WW-uitkering kon ontstaan.

Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep handhaafde appellant zijn bezwaren niet meer, maar verzocht om immateriële schadevergoeding. De Raad oordeelde dat het besluit rechtmatig was en dat er geen grond was voor schadevergoeding. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de WW-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering per 31 mei 2023 wordt bevestigd en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/713 WW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 april 2025, 23/2449 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 april 2026

SAMENVATTING

De Raad oordeelt in deze zaak dat het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant per 31 mei 2023 heeft ingetrokken.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bos. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is met ingang van 1 mei 2019 bij [naam werkgever B.V.] (werkgever) in dienst getreden als allround medewerker oppervlaktebehandeling op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkgever en appellant hebben door middel van een beëindigingsovereenkomst, gesloten op 17 maart 2022, de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2022 beëindigd. Op 1 september 2022 heeft appellant zich met ingang van 30 augustus 2021 ziekgemeld.
1.2.
Naar aanleiding van de ziekmelding van appellant heeft het Uwv met een besluit van 21 oktober 2022 aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend en daarbij een maatregel opgelegd, inhoudende dat de ZWuitkering niet wordt uitbetaald. Aan deze maatregel heeft het Uwv, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellant heeft ingestemd met beëindiging van zijn dienstverband tijdens ziekte, waardoor hij zijn loonaanspraken jegens zijn werkgever heeft prijsgegeven en onnodig een beroep heeft gedaan op een ZWuitkering. Appellant heeft bezwaar gemaakt. Met een beslissing op bezwaar van 28 februari 2023 heeft het Uwv, voor zover hier relevant, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2022 ongegrond verklaard. Appellant heeft het tegen deze beslissing op bezwaar ingestelde beroep ingetrokken.
1.3.
Op 14 november 2022 heeft appellant bij het Uwv per 2 augustus 2022 een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.4.
Met een besluit van 9 december 2022 heeft het Uwv aan appellant per 2 augustus 2022 tot 1 januari 2024 een WW-uitkering toegekend. Met een besluit van 31 mei 2023 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant per 31 mei 2023 ingetrokken. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant recht had op een ZW-uitkering maar dat deze niet tot uitbetaling komt, omdat appellant heeft ingestemd met beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens ziekte. Doordat er recht op een ZW-uitkering bestond, kon er volgens het Uwv geen recht op een WWuitkering ontstaan. Het Uwv heeft daarbij tevens besloten de over de periode van 2 augustus 2022 tot 31 mei 2023 onverschuldigd betaalde WW-uitkering niet van appellant terug te vorderen. Appellant heeft tegen de intrekking bezwaar gemaakt.
1.5.
Met een beslissing op bezwaar van 6 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de WW-uitkering van appellant terecht per 31 mei 2023 heeft ingetrokken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Namens appellant is ter zitting in hoger beroep toegelicht dat hij zijn gronden tegen het bestreden besluit niet langer handhaaft. Wel verzoekt appellant om het Uwv te veroordelen tot het betalen van een immateriële schadevergoeding op basis van wat volgens hem tijdens een gesprek op 15 oktober 2024 met het Uwv is besproken.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Voor een schadevergoeding bestaat volgens het Uwv geen aanleiding.

Het oordeel van de Raad

5.1.
De gemachtigde van appellant heeft ter zitting desgevraagd andermaal bevestigd dat van de rechtmatigheid van het bestreden besluit kan worden uitgegaan en dat hij zijn gronden daartegen niet langer handhaaft.
5.2.
Omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit, is er geen grond voor (immateriële) schadevergoeding. Indien en voor zover appellant meent dat het handelen van het Uwv op basis van wat tijdens het gesprek van 15 oktober 2024 is besproken als een onrechtmatige daad jegens hem moet worden aangemerkt, geldt dat appellant wat dat betreft een vordering bij de civiele rechter kan instellen.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van de WW-uitkering per 31 mei 2023 in stand blijft.
6. Uit 5.2 volgt dat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.G.J. van Eck