Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:492

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
22/2465 NOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:24b BWArt. 6, vijfde lid, NOW-1Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 4:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling groepsrelatie en omzetverlies bij subsidie NOW-1

Appellante, een B.V., ontving een voorschot op subsidie op grond van de NOW-1 regeling. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie werd een omzetverlies van 100% opgegeven. Het ministerie stelde echter vast dat appellante organisatorisch en economisch verbonden is met een vennootschap onder firma, waardoor zij als groep moeten worden beschouwd volgens artikel 2:24b BW. Hierdoor moesten ook de omzetgegevens van de firma worden betrokken bij de berekening van het omzetverlies.

Appellante leverde niet tijdig de gevraagde omzetgerelateerde gegevens aan, waardoor de minister aanvankelijk het omzetverlies op nihil stelde en de subsidie terugvorderde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde de groepsrelatie en de noodzaak om omzetgegevens van de firma mee te nemen.

In hoger beroep leverde appellante alsnog gegevens aan, waarop de minister een gewijzigde beslissing op bezwaar nam en de subsidie definitief vaststelde op een lager bedrag. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het eerdere besluit, verklaarde het beroep gegrond en wees het beroep tegen de gewijzigde beslissing ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen vanwege bijzondere omstandigheden en vertragingen veroorzaakt door appellante zelf.

De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De Raad onderschreef de uitleg van het groepsbegrip en de toepassing van de NOW-1 regeling, waarbij omzetverlies van de gehele groep bepalend is voor de subsidievaststelling.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerdere besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, de gewijzigde beslissing op bezwaar wordt bevestigd, en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

22/2465 NOW, 24/1143 NOW
Datum uitspraak: 22 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juli 2022, 21/5197 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

SAMENVATTING

De Raad oordeelt in deze zaken dat de minister zich in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 april 2024 terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de berekening van de definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 de omzetgegevens van de vennootschap onder firma [naam firma] tot de in aanmerking te nemen omzet moeten worden gerekend, omdat tussen appellante en [naam firma] sprake is van een groepsrelatie in de zin van artikel 2:24b BW, in samenhang bezien met artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.P. Flinterman hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Namens de minister heeft de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak 22/2465 NOW in een meervoudige samenstelling behandeld op een zitting van 31 augustus 2023. Voor appellante is verschenen mr. Flinterman. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen alsnog de omzet gerelateerde gegevens over 2019 en 2020 voor de berekening van de omzet aan de minister te verstrekken.
Naar aanleiding van de door appellante aangeleverde gegevens heeft de minister op 4 april 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), geregistreerd onder nummer 24/1143 NOW.
Appellante heeft haar zienswijze gegeven op bestreden besluit 2.
De minister heeft daarop gereageerd.
Appellante heeft een nadere reactie ingebracht.
De Raad heeft de zaken 22/2465 NOW en 24/1143 NOW naar de enkelvoudige kamer verwezen.
Appellante heeft een nadere reactie ingebracht.
De Raad heeft de zaken 22/2465 NOW en 24/1143 NOW opnieuw behandeld op een zitting van 17 december 2025. Voor appellante is verschenen mr. Flinterman. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.C. Staal en mr. J.J. Grasmeijer.
Ter zitting heeft appellante verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante is een [appellante B.V.] is naast bestuurder van appellante ook één van de twee vennoten van [naam firma] . Met een besluit van 11 april 2020 heeft de minister aan appellante een subsidie voor loonkosten op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1) verleend van € 9.688,- waarvan een bedrag van € 7.752,- als voorschot is uitbetaald.
1.2.
Op 16 maart 2021 heeft appellante de definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft zij vermeld een omzetverlies van 100% te hebben geleden.
1.3.
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onderdeel Uitvoering Van Beleid, heeft een onderzoek ingesteld naar de opgave van het omzetdalingspercentage en de door appellante ter zake aangeleverde gegevens. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 10 juni 2021. In het rapport is geconcludeerd dat er sprake is van organisatorische en economische verbondenheid tussen appellante en [naam firma] , waardoor appellante en [naam firma] als een groep moeten worden gezien voor de NOW-1. Deze conclusie is gebaseerd op het feit dat uit de door appellante aangeleverde financiële administratie over 2019 en 2020 is gebleken dat alle omzetfacturen door één opdrachtgever, [naam firma] , zijn betaald. Het voorgaande betekent dat in het onderzoek naar de omzetgegevens van appellante ook de omzetgegevens van [naam firma] moeten worden betrokken. Om het onderzoek te kunnen uitvoeren moet appellante de volgende gegevens aan de minister verstrekken: jaarrekening 2019 van [naam firma] , saldibalans 2019 en 2020 van [naam firma] , grootboekmutaties van de omzetrekeningen 2019 en 2020 van [naam firma] , overzicht van de uitgebrachte facturen in 2020 van appellante, met vermelding van factuurnummer, factuurdatum, debiteur e.d., overzicht van de uitgebrachte facturen in 2020 van [naam firma] , met vermelding van factuurnummer, factuurdatum, debiteur e.d. Uit de facturen moet ondubbelzinnig blijken in welke periode de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Appellante is meermaals verzocht om een overzicht van de in 2020 uitgebrachte facturen aan te leveren, maar zij heeft de gevraagde gegevens niet aangeleverd. Hierdoor hebben de onderzoekers geen inzicht kunnen krijgen in de werkzaamheden die in de meetperiode zijn uitgevoerd en hebben zij zich geen oordeel kunnen vormen over de berekening van de werkelijke omzet in de meetperiode van maart 2020, april 2020 en mei 2020.
1.4.
Met een besluit van 16 september 2021 heeft de minister de aanvraag van appellante om definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 afgewezen en het reeds betaalde voorschot van € 7.752,- teruggevorderd.
1.5.
Met een beslissing op bezwaar van 2 december 2021 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 september 2021 ongegrond verklaard. De minister heeft de conclusie uit het rapport van 10 juni 2021 overgenomen en zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van organisatorische en economische verbondenheid tussen appellante en [naam firma] , waardoor appellante en [naam firma] als een groep worden gezien, als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1. Dat betekent dat in het onderzoek ook de (omzet)gegevens van [naam firma] moeten worden meegenomen. Voor een (her)beoordeling van het percentage omzetverlies zijn aanvullende documenten nodig. In de afgelopen periode zijn deze documenten meermaals bij appellante opgevraagd. Met een brief van 10 november 2021 zijn voor het laatst documenten bij appellante opgevraagd. In deze brief is appellante gevraagd uiterlijk 24 november 2021 de gevraagde documenten aan te leveren. Omdat appellante hierop niet heeft gereageerd, kan het onderzoek naar het percentage omzetverlies volgens de minister niet worden uitgevoerd. Het percentage omzetverlies is daarom op nihil vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag voor definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 terecht heeft afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
De rechtbank heeft de grond van appellante dat zij zelfstandig is en geen onderdeel uitmaakt van een groep verworpen. De rechtbank is met de minister van oordeel dat sprake is van een organisatorische en economische verbondenheid tussen appellante en [naam firma] . Op grond van artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt onder een groep verstaan: een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Uit het rapport van 10 juni 2021 van de minister volgt dat aan de hand van openbare bronnen is vastgesteld dat M.J. Kennedy alleen en zelfstandig bestuurder is van appellante en dat hij één van de twee vennoten is van [naam firma] . Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van organisatorische verbondenheid. Daarnaast is uit de door appellante aangeleverde financiële administratie over de jaren 2019 en 2020 volgens de minister gebleken dat alle omzetfacturen zijn betaald door één opdrachtgever, te weten [naam firma] . Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een economische eenheid. De rechtbank heeft van belang geacht dat appellante niet gemotiveerd heeft bestreden dat zij organisatorisch en economisch is verbonden met [naam firma] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op basis van voorgaande feiten en omstandigheden terecht geconcludeerd dat sprake is van organisatorische en economische verbondenheid tussen appellante en [naam firma] , waardoor appellante en [naam firma] als een groep moeten worden aangemerkt voor de NOW-1. Omdat appellante onderdeel is van een groep, moeten naar het oordeel van de rechtbank bij de berekening van het omzetverlies ook de omzetgegevens van [naam firma] tot de in aanmerking te nemen omzet worden gerekend. Dit volgt uit artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1.
2.2.
De grond van appellante dat, als de cijfers van [naam firma] zouden worden opgeteld bij haar cijfers, er sprake zou zijn van een totaal omzetverlies van 50,2 % heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank is met de minister van oordeel dat het niet mogelijk is om het percentage omzetverlies van appellante en [naam firma] te beoordelen, omdat appellante de in het rapport van 10 juni 2021 gevraagde gegevens niet heeft verstrekt. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat appellante niet gemotiveerd heeft toegelicht waarom zij de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt.
Het hoger beroep van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft opnieuw bestreden dat zij met [naam firma] een groep vormt, als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1. Appellante heeft verwezen naar de FAQ’s over het concernbegrip van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants.
Het standpunt van de minister
3.2.
De minister heeft naar aanleiding van de in hoger beroep door appellante aangeleverde omzet gerelateerde gegevens over 2019 en 2020 op 4 april 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft de minister bestreden besluit 1 herroepen en heeft de minister de definitieve vaststelling van de subsidie voor loonkosten op grond van de NOW-1 op een bedrag van € 1.012,- vastgesteld. De minister heeft verzocht om de aangevallen uitspraak voor het overige te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. Met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 april 2024 heeft de minister bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank een oordeel heeft gegeven over dit besluit, niet in stand kan blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren, dit besluit vernietigen en de minister veroordelen in de proceskosten van appellante. Omdat de minister met de gewijzigde beslissing op bezwaar niet volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante, wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege in de procedure betrokken.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft die gronden besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven. Daaraan voegt de Raad toe dat uit de stukken is gebleken dat de minister in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 april 2024 de berekening van het omzetverlies overeenkomstig de NOW-1 heeft vastgesteld. De Raad heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De daarop betrekking hebbende grond van appellante slaagt niet.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.3.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.4.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de minister op 22 september 2021 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en (afgerond) zes maanden verstreken. Er is dan in beginsel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden. In deze zaken doen zich echter bijzondere omstandigheden voor die aanleiding geven tot verlenging van de redelijke termijn in de bestuurlijke en rechterlijke fase. Vanaf de aanvraag om vaststelling van de subsidie heeft de minister appellante verzocht om inbreng van informatie en financiële stukken. Dat is onder meer gebeurd op 26, 28 en 31 mei 2021 en op 10 november 2021. Bij het achterwege blijven van die stukken kon de minister het omzetverlies niet bepalen om welke reden dit aanvankelijk is bepaald op nul. Op 28 juli 2022 heeft appellante een hoger beroepschrift ingediend. Appellante heeft pas na de behandeling van de zaak 22/2465 NOW ter zitting op 31 augustus 2023 toegezegd de gevraagde gegevens aan de minister te zullen verstrekken. De ingebrachte gegevens waren aanvankelijk niet bruikbaar. Appellante is tweemaal verzocht om de gegevens op een passende manier in te brengen. Dat is eerst op 19 december 2023 gebeurd door aanbieding van de betreffende gegevens aan de Raad. Na doorgeleiding van die stukken heeft de minister binnen ongeveer vier maanden, op 4 april 2024, de gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Van gebrek aan voortvarendheid in de rechterlijke fase of aan de zijde van de minister is aldus geen sprake. Dat deze procedure langer dan vier jaar heeft geduurd komt in tegendeel geheel voor rekening van appellante. Van een overschrijding van de redelijke termijn is dan ook geen sprake. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt voor zover dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank waarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Het beroep tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 april 2024 zal ongegrond worden verklaard.
6. Uit 4.4 volgt dat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
7. Door vernietiging van de aangevallen uitspraak en de vernietiging van bestreden besluit 1 komt appellante in aanmerking voor de door haar betaalde proceskosten en griffierecht in beroep en hoger beroep. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 31 augustus 2023 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 17 december 2025, met een waarde per punt van
€ 934,-), in totaal dus € 3.736,-. Daarnaast dient de minister het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 2 december 2021 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 4 april 2024 ongegrond;
- wijst het verzoek tot betaling van een vergoeding van schade af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.736,-;
- bepaalt dat de minister aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 913,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
(getekend) H.G. Rottier
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

NOW-1

Artikel 1. Begripsbepaling

(…)
2. Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst- en verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling.

Artikel 3. Doel van de subsidie

Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.

Artikel 4. Voorwaarden voor subsidieverlening

De Minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020.

Artikel 6. Omzetdaling

1. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de periode als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt, in hele procenten en naar boven afgerond.
2. De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.
3. In afwijking van het tweede lid, is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet, die is gerealiseerd in de periode tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie, gerekend vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf:
a. de aanvang van de bedrijfsuitoefening, indien sprake is van een werkgever waarvan de bedrijfsuitoefening na 1 januari 2019 is aangevangen; of
b. de overgang, indien de werkgever na 1 januari 2019 een economische eenheid heeft overgenomen in de zin van artikel 7:662 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
4. Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon, tenzij artikel 6a van toepassing is.
5. Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het vierde lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 maart 2020 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.
6. Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.
7. Het derde lid, onderdeel b, wordt toegepast, indien de werkgever daarom verzoekt bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 7. Hoogte van de subsidie

1. De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:
A x B x 3 x 1,3 x 0,9
Hierbij staat:
A voor het percentage van de omzetdaling;
B voor de constante B*, zoals berekend op grond van artikel 10, met dien verstande dat:
(…)
2. Indien de loonsom bedoeld onder de constante C lager is dan driemaal de loonsom als bedoeld onder de constante B in het eerste lid, wordt de subsidie verlaagd met:
(B x 3 – C) x 1,3 x 0,9
Hierbij staat:
B voor de constante B, zoals berekend op grond van het eerste lid;
C voor de loonsom over de periode 1 maart tot en met 31 mei 2020, met dien verstande dat het bepaalde onder het eerste lid, constante B, van overeenkomstige toepassing is, waarbij het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.538 per aangiftetijdvak van een maand en de gehanteerde aangiftetijdvakken het derde tot en met het vijfde aangiftetijdvak van het jaar 2020 zijn.
(…)

Artikel 14. Subsidievaststelling(…)

2. Bij de aanvraag van de vaststelling worden in ieder geval meegezonden:
a. de definitieve gegevens over de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid,
onderdeel c, alsmede documentatie en informatie waaruit dit blijkt;
b. de verklaring van een accountant of een derde, bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid; en
c. een verklaring dat voldaan is aan de in artikel 13, onderdelen a en c tot en met i, genoemde
verplichtingen.
(…)
5. De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 7(…).

Artikel 4:46 van Pro de Awb

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.
3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.

Artikel 2:24b van het BW

Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.

Bijlage: regelgeving

Artikel 2 van Pro de NOW-1
Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling.
Artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1
Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het vierde lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 maart 2020 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.
Artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van de NOW-1
Bij de aanvraag van de vaststelling worden in ieder geval meegezonden:
a.de definitieve gegevens over de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, alsmede informatie waaruit dit blijkt;
Artikel 24b van Boek 2 van het BW
Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.
Artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het BW
Onder de netto-omzet wordt verstaan de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen.

Bijlage 2: T&C bij art. 2:24 BW Pro

Burgerlijk Wetboek Boek 2
Artikel 24b [Groep]
Geldend vanaf 01-01-1992
Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.
T&C BW, commentaar op art. 2:24b BW
Groep
Roest, actueel t/m 15-02-2023
Betekenis
Het artikel omschrijft, evenals art. 2:24a en 24c, een concernrechtelijk begrip.
Economisch criterium
Geldt voor het zijn van dochter een formeel criterium (art. 2:24a, aant. 2), art. 2:24b hanteert een economisch criterium: er is sprake van een groep indien verschillende vennootschappen en/of rechtspersonen organisatorisch met elkaar zijn verbonden in een economische eenheid. Over de organisatorisch met elkaar verbonden rechtspersonen en vennootschappen moet centrale leiding worden uitgeoefend. Zie over het begrip centrale leiding: Asser/Kroeze 2-I 2021/261. Een dochter zal in het algemeen tot een groep behoren (Olaerts, GS Rechtspersonen, art. 2:24b, aant. 3).
Groep en groepsmaatschappij
De eerste zin geeft een omschrijving van de groep, de tweede van een groepsmaatschappij.
Joint venture
Bij een joint venture zal er alleen een groepsverhouding bestaan tussen de joint-venture rechtspersoon en één van de partners indien deze een overwegende zeggenschap over de joint venture heeft die als centrale leiding kan worden gekwalificeerd (Asser/Kroeze 2-I 2021/262).
Wijziging wettekst
Het artikel is ingevoerd bij wet van 10 november 1988, Stb. 517 (Aanpassing Zevende Richtlijn) en in werking getreden op 25 november 1988.

Bijlage 3: Asser/Kroeze 2-I 2021/261

prof. mr. M.J. Kroeze, datum 01-01-2021
Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Zie art. 2:24b BW. In het spraakgebruik wordt in plaats van groep ook vaak het begrip concern gebruikt.
De term ‘groep’ is in onze wetgeving geïntroduceerd ter gelegenheid van de invoering van de structuurregeling voor grote vennootschappen bij de Wet van 6 mei 1971 (
Stb.1971, 289;
Kamerstukken10751); zie o.m. art. 52c en 52e WvK (oud), en de invoering van de WOR 1971 (
Stb.1971, 54;
Kamerstukken10335); zie art. 1 lid 5 WOR Pro 1971 (oud). In de MvT van het ontwerp van de Wet structuurregeling staat dat met die term is bedoeld: een groep van naar de rechtsvorm zelfstandige ondernemingen die door kapitaaldeelneming of anderszins met elkaar zijn verbonden en waarvan het centrale beleid in de top wordt bepaald. Zie
Bundel NV en BV, p. Ixf-art. III-2; vgl. Honée,
VHI 211981/19-1 en 26 (diss.).
Bij de Wet tot aanpassing aan de vierde EEG-richtlijn (
Stb.1983, 663;
Kamerstukken16326), werd in lid 4 van art. 2:76/2:187 BW (oud) bepaald dat een rechtspersoon of vennootschap die met
de NVc.q. BV in een groep is verbonden, wordt aangeduid als groepsmaatschappij. In de MvT wordt onder meer gezegd dat men in het algemeen van een groep zal kunnen spreken, indien een aantal ondernemingen als een economische eenheid onder gemeenschappelijke leiding optreedt; de band tussen hen zal gewoonlijk als kapitaaldeelneming zijn uitdrukking vinden. Zie
Bundel NV en BV, p. Ixq-art. 24b-1. Bij de Wet van 10 november 1988 (
Stb.1988, 517;
Kamerstukken19813; aanpassing aan zevende EEG-richtlijn; geconsolideerde jaarrekening), werd de huidige tekst van art. 2:24b BW opgenomen. In de MvT staat dat de geringe wijziging in de omschrijving van het begrip groep geen verandering brengt in de betekenis die daaraan in het gangbare juridische spraakgebruik wordt gehecht. In de toelichting wordt benadrukt dat het antwoord op de vraag of het begrip centrale leiding wezenlijk is voor het vaststellen van een groepsband, naar het inzicht van de minister naar geldend en komend recht eender is. Zie
Bundel NV en BV, p. Ixq-art. 24b-3.
In de definitie van art. 2:24b BW zijn twee elementen opgenomen: het zijn van een economische eenheid en organisatorische verbondenheid. Het element economische eenheid is opgenomen met het oog op de verslaggeving in de geconsolideerde jaarrekening. Zie [542] e.v.;
Bundel NV en BV, p. Ixq-40; Bartman, Dorresteijn & Olaerts,
Concern2020/2.2.1.
Naast een economische eenheid moet sprake zijn van organisatorische verbondenheid. Die organisatorische verbondenheid duidt op juridisch-organisatorische banden, zoals directe of indirecte meerderheidsdeelnemingen in het kapitaal, vaak gecombineerd met statutaire voorzieningen. Minderheidsdeelnemingen en 50%-deelnemingen kunnen tot een groepsverband leiden indien de deelneming met bijzondere rechten is versterkt; zie
Bundel NV en BV, p. Ixq-art. 24b-1. Niet alleen kapitaaldeelneming maar ook contractuele voorzieningen kunnen de bedoelde organisatorische verbondenheid teweegbrengen. Men denke aan overeenkomsten tot samenwerking bijvoorbeeld gericht op het tot stand brengen van personele unies, pool- en egalisatieovereenkomsten. Die overeenkomsten kunnen worden gecombineerd met statutaire voorzieningen. Aldus kunnen groepen op basis van nevenschikking bestaan, zoals bij Unilever en voorheen bij Koninklijke/Shell.
Die organisatorische verbondenheid moet leiden tot economische eenheid, dat wil zeggen, mede in het licht van de wetsgeschiedenis, zie hierboven, dat organisatorische verbondenheid als bedoeld op zich niet voldoende is, maar dat binnen die aldus organisatorisch verbonden rechtspersonen en vennootschappen vanuit de top ook centrale leiding (daadwerkelijk) moet worden uitgeoefend. Dit behoeft niet vanuit één moedermaatschappij of dominerende rechtspersoon te gebeuren, maar kan ook, in een groep op basis van nevenschikking, vanuit een meervoudige top geschieden. Die eis van centrale leiding betekent bijvoorbeeld dat een pure beleggingsmaatschappij die de meerderheid van de aandelen in een andere vennootschap houdt, niet met die vennootschap in een groep is verbonden. Een franchiseketen is evenmin een groep; zie Bartman, Dorresteijn & Olaerts,
Concern2020/2.2.1.
Wanneer is sprake van centrale leiding? Het antwoord op deze vraag hangt niet alleen af van de voorwaardenscheppende juridisch-organisatorische verbondenheid die voor een dergelijke leiding nodig is, maar ook en vooral van de (bedrijfs)economische werkelijkheid binnen dit organisatorisch verband. Centrale leiding betekent niet centraliserende of uniformerende leiding, maar leiding vanuit een enkelvoudig (of bij nevenschikking meervoudig) centrum. Het Economisch en Sociaal Comité van de EG sprak indertijd over een economische eenheid die onder gezamenlijke leiding staat, ook al ziet de leiding af van een centrale besturing ten gunste van grote autonomie bij de samenstellende delen van het concern. Zie
Bundel NV en BV, p. Ixq-40. In het voetspoor van Timmerman,
IVO 41988, p. 54 (diss.) en Van Achterberg,
VHI 331989, p. 82 (diss.), meen ik dat er (reeds) centrale leiding is indien sprake is van het voeren van een gemeenschappelijke strategie en het op basis hiervan plannen, coördineren en controleren van het beleid van de onderhorige groepsmaatschappijen. De belangrijkste aanwijzing voor het bestaan van een dergelijke centrale leiding is de aanwezigheid van een gecentraliseerd planning- en controlesysteem; zie Van Achterberg,
VHI 331989, p. 34, 51 en 82 (diss.). Een noodzakelijk complement van (maar niet het enig vereiste voor) centrale leiding is dat deze moet kunnen worden ‘doorgezet’, zo nodig tegen de wil van de bestuurders van de ondergeschikte vennootschappen. Zie Honée,
VHI 211981/19.1 (diss.), en verder
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb2019/158. Zie Rb. Amsterdam 22 mei 2006,
JOR2006/178 (Ahold) voor een uitleg van art. 2:24b BW in verband met het begrip ‘centrale leiding’ in de consolidatieverplichting van art. 2:406 BW Pro.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.