ECLI:NL:CRVB:2026:45
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening van periodieke uitkering in verband met Wiedergutmachung en terugvordering van teveel uitbetaalde uitkering
In deze zaak heeft appellante, een weduwe van een vervolgde in de zin van de Wuv, beroep ingesteld tegen een besluit van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank. De Raad heeft op 15 januari 2026 uitspraak gedaan. De appellante ontvangt sinds 2006 een periodieke uitkering, maar in mei 2023 heeft zij verzocht om een nieuwe vaststelling van haar uitkering. Dit verzoek volgde op de mededeling van de verweerder dat appellante inkomsten uit de Wiedergutmachung ontvangt, wat niet eerder bekend was. De verweerder heeft daarop de uitkering met terugwerkende kracht van vijf jaar opnieuw vastgesteld, waarbij een bedrag van € 46.870,34 aan teveel uitbetaalde uitkering van appellante werd teruggevorderd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting op 4 december 2025, waar appellante werd vertegenwoordigd door haar zoon en haar advocaat, mr. M.F.P. de Clercq. De verweerder was vertegenwoordigd door A.L. van de Wiel. De Raad heeft overwogen dat de Wiedergutmachung als overige inkomsten moet worden aangemerkt en dat deze inkomsten in mindering worden gebracht op de uitkering. Appellante betoogde dat de Wiedergutmachung een schadevergoeding is en niet als inkomen moet worden gezien, maar de Raad volgde dit betoog niet. De Raad heeft vastgesteld dat de terugvordering van het teveel uitgekeerde bedrag terecht was en dat er geen aanleiding was om van de vaste rechtspraak af te wijken. Het beroep van appellante is ongegrond verklaard, wat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.