ECLI:NL:CRVB:2026:435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- L.M. Tobé
- K.H. Sanders
- B. Serno
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvullend smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid bij politieambtenaar met PTSS
Appellant, een politieambtenaar die in 2005 tijdens zijn werk een PTSS heeft opgelopen, kreeg in 2017 smartengeld toegekend op basis van een blijvende invaliditeit van 10%. In 2023 vroeg hij aanvullend smartengeld aan wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid, maar dit verzoek werd door de korpschef afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de regeling een eenmalige beoordeling en toekenning van smartengeld beoogt, waardoor een tweede aanvraag niet mogelijk is.
Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die de zaak op 4 maart 2026 behandelde. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de systematiek van de Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp) geen ruimte laat voor een nieuwe, zelfstandige aanvraag op basis van later ingetreden arbeidsongeschiktheid. De eerdere beoordeling en toekenning van smartengeld sluiten een aanvullende uitkering uit.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door voorzitter L.M. Tobé en leden K.H. Sanders en B. Serno op 15 april 2026.
Uitkomst: Het verzoek om aanvullend smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.