Appellant, werkzaam bij een Wsw-werkbedrijf, heeft bezwaar gemaakt tegen de indeling van zijn arbeidshandicap in de categorie ernstig, terwijl hij meent dat dit matig zou moeten zijn. Na een herindicatie heeft het UWV de indicatie met een geldigheidsduur tot 2039 vastgesteld, waarbij de categorie ernstig bleef gehandhaafd. Het bezwaar van appellant werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, omdat de categorie-indeling geen directe gevolgen voor hem heeft en alleen relevant is voor de subsidiehoogte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad oordeelde dat appellant geen voldoende procesbelang heeft omdat het geschil alleen betrekking heeft op een periode die al is verstreken en een inhoudelijk oordeel geen gevolgen kan hebben voor toekomstige perioden, aangezien een onherroepelijk besluit de indicatie en categorie opnieuw heeft vastgesteld.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De beslissing is genomen op 15 januari 2026 door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.