Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:415

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/2412 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wmo 2015Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omvang maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp op vijf uur per week

Appellante, met meerdere lichamelijke beperkingen, ontving op grond van de Wmo 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wijzigde de omvang van deze maatwerkvoorziening tot vier uur en dertig minuten per week, gebaseerd op het HHM Normenkader 2019.

De rechtbank vernietigde dit besluit en stelde de omvang van de huishoudelijke hulp vast op vijf uur per week, waarbij werd geoordeeld dat het normenkader wel als uitgangspunt kan dienen voor schoonmaak, maar niet voor wasverzorging. Tevens oordeelde de rechtbank dat appellante geen aanvraag had gedaan voor begeleiding bij sociaal en persoonlijk functioneren en dat een brief van het college geen besluit was waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het HHM Normenkader 2019 passend is als uitgangspunt en dat de individuele omstandigheden van appellante voldoende zijn meegewogen. Ook wordt bevestigd dat appellante geen aanvraag voor begeleiding heeft ingediend en dat de brief geen bezwaarbesluit is.

Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor de uitspraak van de rechtbank blijft staan. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp vijf uur per week bedraagt en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

24/2412 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2412 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 september 2024, 23/5771 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 6 april 2026

SAMENVATTING

In deze zaak oordeelt de Raad dat de rechtbank de omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015 terecht heeft vastgesteld op vijf uur per week, uitgaande van het pgb-plan en het HHM Normenkader 2019. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aanvraag van appellante niet zag op begeleiding en dat tegen een brief geen bezwaar kon worden gemaakt.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Voor appellante is mr. Oosterhuis-Putter verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1943, is bekend met meerdere lichamelijke beperkingen. Het college heeft aan appellante verschillende voorzieningen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.2.
Met een besluit van 29 december 2022 (primair besluit 1) heeft het college appellante een maatwerkvoorziening voor het voeren van een huishouden (intensiteit ‘plus’) in de vorm van een pgb verstrekt voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2027.
1.3.
Met een besluit van 13 april 2023 (primair besluit 2) heeft het college een maatwerkvoorziening voor het voeren van een huishouden (intensiteit ‘plus’) verstrekt in de vorm van een pgb voor de periode van 1 oktober 2022 tot en met 31 december 2022.
1.4.
Met een brief van 28 maart 2023 heeft het college appellante geïnformeerd dat de door appellante bij de Sociale Verzekeringsbank ingediende zorgovereenkomst niet helemaal juist is ingevuld en haar verzocht dit te corrigeren.
1.5.
Met een besluit van 10 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het college de primaire besluiten 1 en 2 gewijzigd, in die zin dat voor de periode van 9 oktober 2022 tot en met 31 december 2027 een maatwerkvoorziening voor het voeren van een huishouden (intensiteit ‘plus’) wordt verstrekt met een omvang van vier uur en 30 minuten per week, in de vorm van een pgb. Het college heeft daarbij aansluiting gezocht bij het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van Bureau HHM (HHM Normenkader 2019). Volgens het college heeft appellante geen aanvraag gedaan voor een maatwerkvoorziening voor begeleiding bij sociaal en persoonlijk functioneren (begeleiding). Verder heeft het college het bezwaar tegen de brief van 28 maart 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover dit besluit gaat over primaire besluiten 1 en 2. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 december 2023, waaruit volgt dat het HHM Normenkader 2019 weliswaar als uitgangspunt kan dienen bij het vaststellen van de omvang van de maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden voor zover dat kader ziet op het bereiken van een schoon en leefbaar huis, maar niet voor de wasverzorging. [1] De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat aan appellante voor de periode van 1 oktober 2022 tot en met 31 december 2027 huishoudelijke hulp met een omvang van vijf uur per week in de vorm van een pgb wordt verstrekt.
2.2.
De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat het college ten onrechte geen maatwerkvoorziening voor begeleiding heeft verstrekt. Volgens de rechtbank heeft appellante een dergelijke maatwerkvoorziening niet aangevraagd.
2.3.
De brief van 28 maart 2023 is volgens de rechtbank geen besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Deze brief bevat uitsluitend een mededeling. Het college had het bezwaar tegen deze brief dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp heeft vastgesteld op vijf uur per week. Ook beoordeelt de Raad of het oordeel van de rechtbank over begeleiding kan worden gevolgd en of de rechtbank het bezwaar van appellante tegen de brief van 28 maart 2023 op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard, aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
De omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp
4.1.
Anders dan appellante ziet de Raad geen reden voor het oordeel dat het HHM Normenkader 2019 in de voorliggende zaak niet als uitgangspunt had mogen worden gehanteerd. Dat de gemeente Den Haag in de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 niet naar dit normenkader verwijst, staat aan de toepassing daarvan alleen al niet in de weg, omdat de verordening – ondanks vaste rechtspraak – nog altijd uitgaat van resultaatgericht indiceren en appellante is opgekomen tegen de aldus verstrekte maatwerkvoorziening.
4.2.
Ook de beroepsgrond dat onvoldoende rekening is gehouden met de individuele omstandigheden van appellante slaagt niet, gelet op het volgende.
4.2.1.
Conform de genoemde uitspraak van 13 december 2023 is bezien of in het geval van appellante met de basisnorm van 125 minuten uit het normenkader een passende bijdrage wordt geleverd aan haar zelfredzaamheid. De uit dit normenkader overgenomen ondersteuningstijd voor de ‘gemiddelde cliëntsituatie’ betreft volledige professionele overname van alle activiteiten. Gelet op de individuele situatie van appellante is aan haar in aanvulling op de basisnorm 60 minuten voor extra vaak of extra goed schoonmaken en vijf minuten voor een extra slaapkamer verleend. Bovendien krijgt zij in totaal 106 minuten voor de wasverzorging. Niet valt in te zien dat appellante hiermee is tekortgedaan.
4.2.2.
Dat rekening had moeten worden gehouden met hulp bij het doen van de boodschappen volgt de Raad niet. Niet alleen zijn bezorgdiensten voor boodschappen algemeen gebruikelijk, ook heeft appellante niet bestreden dat haar kinderen haar ondersteunen bij het doen van boodschappen.
Begeleiding bij sociaal en persoonlijk functioneren
4.3.
Wat appellante heeft aangevoerd over een maatwerkvoorziening voor begeleiding treft geen doel. De melding van 13 december 2022 en het pgb-plan van 20 december 2022 zien op het voeren van een huishouden. Het college heeft de maatwerkvoorziening verstrekt die appellante heeft aangevraagd. Hieraan doet niet af dat het college naar aanleiding van een latere melding voor de periode vanaf 1 december 2023 een maatwerkvoorziening voor begeleiding heeft verstrekt. Appellante heeft tegen de ingangsdatum van deze voorziening overigens geen rechtsmiddelen aangewend.
De brief van 28 maart 2023
4.4.
Ten slotte onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de brief van 28 maart 2023 geen besluit is waartegen bezwaar gemaakt kan worden.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van als N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2026.
C.W.C.A. Bruggeman
De griffier is verhinderd te ondertekenen