Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:387

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23/2660 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 WlzArt. 7:12 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Wlz-zorg wegens ontbreken blijvende behoefte 24-uurszorg

Appellante, bekend met ADHD en traumatische ervaringen, vroeg op 28 maart 2022 Wlz-zorg aan. Het CIZ wees de aanvraag af omdat de grondslag verstandelijke handicap niet kon worden vastgesteld, wel een psychische stoornis. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.

Appellante voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij een blijvende behoefte aan 24-uurszorg heeft. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat de medisch adviseurs van het CIZ voldoende gemotiveerd hadden dat de verstandelijke handicap niet kon worden vastgesteld en dat de beperkingen mede voortkomen uit ADHD en psychische problematiek.

Hoewel het CIZ aanvankelijk onvoldoende motiveerde dat de behoefte aan 24-uurszorg niet blijvend is, herstelde het dit in hoger beroep met een advies dat behandelingen nog niet zijn uitgeput en dat met adequate behandeling de zorgbehoefte kan afnemen. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand blijft, met verbetering van gronden, en veroordeelde het CIZ in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot afwijzing van de Wlz-zorgaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2660 WLZ
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 augustus 2023, 23/335 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het CIZ
Datum uitspraak: 26 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of appellante in aanmerking komt voor Wlz-zorg. De Raad is het eens met de rechtbank en het CIZ dat de grondslag verstandelijke handicap niet kan worden vastgesteld. De grondslag psychische stoornis is wel aan de orde, maar van een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid is geen sprake. Dat laatste heeft het CIZ pas in hoger beroep voldoende gemotiveerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Voor appellante is mr. Kaya verschenen. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Bozdag.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is bekend met ADHD en met traumatische ervaringen in het verleden. Zij functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Appellante heeft op 28 maart 2022 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Met het besluit van 17 mei 2022, na bezwaar gehandhaafd met het besluit van 8 december 2022 (bestreden besluit), heeft het CIZ deze aanvraag afgewezen. Het CIZ heeft zich – onder verwijzing naar medische adviezen van 10 mei 2022 en 25 november 2022 – op het standpunt gesteld dat de grondslag verstandelijke beperking niet kan worden vastgesteld. De grondslag psychische stoornis kan wel worden vastgesteld. Bij appellante is er een noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel voor haar te voorkomen, maar er kan op dit moment niet worden vastgesteld of die zorgbehoefte blijvend is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft – samengevat – aangevoerd dat het onderzoek van het CIZ onzorgvuldig en onvolledig is geweest en dat er sprake is van de grondslag verstandelijke beperking. Ook is er bij appellante een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt van 28 maart 2022 (datum aanvraag) tot en met 8 december 2022 (datum bestreden besluit).
Grondslag verstandelijke beperking
4.2.
De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat naast de grondslag psychische stoornis ook de grondslag verstandelijke handicap aan de orde is. De medisch adviseurs van het CIZ zijn voldoende gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat deze grondslag niet vastgesteld kan worden. Zij hebben geconstateerd dat er weliswaar sprake is van een verminderde intelligentie, maar dat de adaptieve beperkingen bij appellante niet hoofdzakelijk kunnen worden verklaard door een verstandelijke beperking. De beperkingen komen ook voort uit de matig ernstige ADHD en bijkomende psychische problematiek. Appellante heeft regulier onderwijs gevolgd en een mbo-2 opleiding kunnen afronden. Zij is bovendien werkzaam in het gebied waarin zij is afgestudeerd.
4.3.
In wat appellante heeft aangevoerd en in de stukken die zij heeft overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding om aan deze conclusie van de medisch adviseurs te twijfelen. Dat appellante haar mboopleiding alleen heeft kunnen afronden met veel onderwijsondersteuning, maakt dit niet anders.
Blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid
4.4.
In het bestreden besluit is het standpunt dat nog niet kan worden vastgesteld of de behoefte van appellante aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid blijvend is, gebaseerd op de medische adviezen van 10 mei 2022 en 25 november 2022. De medisch adviseurs hebben daarin uiteengezet dat er nog niet kan worden gesproken van een stabiele eindsituatie. Een groot deel van de problematiek komt volgens de adviseurs voort uit de matig ernstige ADHD en de behandelopties, zoals medicatie bij de ADHD, zijn mogelijk nog niet uitgeput. De Raad is van oordeel dat deze algemeen gestelde, weinig concrete onderbouwing van de medisch adviseurs het standpunt van het CIZ over de blijvendheid niet kan dragen, niet in de laatste plaats omdat niet is gebleken dat is beoordeeld of een situatie zal kunnen ontstaan waarin appellante geen behoefte meer heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. [1] Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, zodat dit besluit in zoverre in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.5.
Dit gebrek in de motivering heeft het CIZ in hoger beroep hersteld met een advies van 21 oktober 2025. Daarin heeft de medisch adviseur toegelicht dat uit de GGZ-standaarden blijkt dat behandeling bij volwassenen met ADHD kan bestaan uit psycho-educatie, cognitieve gedragstherapie, vaardigheidstraining en medicatie, waarbij sprake is van een opbouw, zodanig dat als de eerste behandeling niet werkt, overgegaan wordt op een volgende. Uit de ontvangen informatie blijkt niet dat deze behandelopties zijn uitgeput, aldus de medisch adviseur. Appellante heeft tot en met 2019 psychomotorische therapie (PMT) gevolgd, waarbij ze heeft geleerd op welke manier de spanning oploopt en wat ze eraan kan doen om deze naar beneden te krijgen. Het kan wellicht zinvol zijn om opnieuw PMT in te zetten. Appellante is leerbaar gebleken, zoals blijkt uit eerdere stukken als die van REIK en uit het feit dat zij een diploma heeft behaald. Daarmee mag ervan uitgegaan worden dat het inzetten van cognitieve gedragstherapie en/of vaardigheidstraining zinvol kan zijn. Met adequate behandeling zal de zorgbehoefte afnemen en kan met planbare zorg ernstig nadeel worden voorkomen, aldus de medisch adviseur.
4.6.
De door appellante overgelegde verklaring van haar zorgverlener bij Tuorrebout en het samen met haar jobcoach opgestelde werkleerplan geven de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van het CIZ dat er nog behandelingen zijn die appellante kan volgen en dat deze behandelingen kunnen leiden tot de situatie dat appellante niet langer behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz.
4.7.
Appellante heeft voldoende gelegenheid gehad om haar standpunten over het medisch advies van 21 oktober 2025 naar voren te brengen en heeft dat ook gedaan. Als het onder 4.4 genoemde gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou er een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd. Aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met verbetering van gronden. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb brengt mee dat het CIZ wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.868,- in beroep en € 1.868,- in hoger beroep, in totaal € 3.736,-. Ook moet het CIZ het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellante vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het CIZ in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.736,-;
  • bepaalt dat het CIZ aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en K.H. Sanders en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet langdurige zorg
Artikel 3.2.1.
1. Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of
b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hemzelf te voorkomen,
1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of
2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
2. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. blijvend: van niet voorbijgaande aard;
b. permanent toezicht: onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen;
c. ernstig nadeel voor de verzekerde: een situatie waarin de verzekerde:
1°. zich maatschappelijk te gronde richt of dreigt te richten;
2°. zichzelf in ernstige mate verwaarloost of dreigt te verwaarlozen;
3°. ernstig lichamelijk letsel oploopt of dreigt op te lopen dan wel zichzelf ernstig lichamelijk letsel toebrengt of dreigt toe te brengen;
4°. ernstig in zijn ontwikkeling wordt geschaad of dreigt te worden geschaad of dat zijn veiligheid ernstig wordt bedreigd, al dan niet doordat hij onder de invloed van een ander raakt;
[…]

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2251.