ECLI:NL:CRVB:2026:386

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/364 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 9b, eerste lid, aanhef en onder c BBF VRR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen besluit in brief over ingangsdatum bezwarende jaren bij brandweer

Appellant was sinds 2003 werkzaam bij de brandweer in een bezwarende functie en maakte aanspraak op Functioneel Leeftijdsontslag (FLO). Na een onderbreking in 2007 keerde hij terug in dienst bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) onder het '20 jaren beleid'. Het dagelijks bestuur stelde in brieven van december 2021 en januari 2022 de ingangsdatum van de bezwarende jaren vast op 1 augustus 2007, wat appellant betwistte omdat hij meende onder het FLO-overgangsrecht te vallen.

Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar tegen deze brieven niet-ontvankelijk omdat deze brieven geen besluiten zouden zijn. De rechtbank oordeelde anders en verklaarde het bezwaar ontvankelijk, maar ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, terwijl het dagelijks bestuur incidenteel hoger beroep instelde tegen het oordeel dat de brief een besluit zou zijn.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief van 27 januari 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat het een informatieve mededeling betreft die geen wijziging in de rechtspositie van appellant brengt. De ingangsdatum van de bezwarende jaren was al rechtsgeldig vastgesteld bij het aanstellingsbesluit van 2 juli 2007. Het bezwaar tegen de brief is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: De brief over de ingangsdatum van de bezwarende jaren is geen besluit, het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/364 AW, 24/1226 AW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 december 2023, 22/6208 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 26 maart 2026

SAMENVATTING

De Raad oordeelt in deze zaak dat de brief, waarin het dagelijks bestuur de ingangsdatum van de bezwarende jaren aan appellant heeft meegedeeld, geen besluit is. Het bezwaar van appellant tegen deze brief is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, terecht nietontvankelijk verklaard.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.L. Eijkelenboom, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het dagelijks bestuur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. Eijkelenboom een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Eijkelenboom. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Huizinga. De door appellant meegebrachte informanten [naam 1] te [plaats 1] en [naam 2] te [plaats 2] hebben gelegenheid gekregen op vragen te antwoorden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is per 15 juli 2003 aangesteld bij de Brandweer [naam district] als [naam functie] in de 24-uurs dienst. In de aanstellingsbrief van 11 juni 2003 is onder meer aangegeven dat appellant recht heeft op Functioneel Leeftijdsontslag (FLO).
1.2.
Het FLO is op grond van landelijke regelgeving per 1 januari 2006 afgeschaft. Voor medewerkers in een bezwarende functie die onder het FLO vielen, is FLO-overgangsrecht afgesproken. Voor medewerkers die op of na 1 januari 2006 in dienst zijn getreden in een bezwarende functie geldt het loopbaanbeleid voor bezwarende functies (het ‘20 jaren beleid’ of tweede loopbaanbeleid).
1.3.
Aan appellant is op zijn verzoek per 1 februari 2007 ontslag verleend uit zijn betrekking van [naam functie] in de 24-uurs dienst bij Brandweer [naam district] vanwege een baan bij een andere werkgever. Hij is met ingang van dezelfde datum aangesteld als vrijwilliger bij Brandweer [naam district] . Bij het ontslag is een afspraak gemaakt over de mogelijkheid van terugkeer.
1.4.
In mei 2007 kwam appellant tot de conclusie dat hij als beroeps terug wilde keren bij de brandweer. Hij heeft hierover gesprekken gevoerd, die ertoe hebben geleid dat hij opnieuw kon worden aangesteld als [naam functie]. Bij brief van 31 mei 2007 is aan appellant meegedeeld dat hij bij Brandweer [naam district] aangesteld zal worden met ingang van 1 augustus 2007 en onder welke voorwaarden dat zal gebeuren. In deze brief is onder meer vermeld dat de functie [naam functie] is aangemerkt als een bezwarende functie en dat appellant maximaal 20 jaar werkzaam blijft in een bezwarende functie.
1.5.
Brandweer [naam district] is per [datum] overgenomen door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR).
1.6.
Met een besluit van 2 juli 2007 is appellant met ingang van 1 augustus 2007 aangesteld als (beroeps) [naam functie] in dienst van de VRR. Bij brief van 5 juli 2007 zijn naar aanleiding van de aanstellingsbrief van 31 mei 2007 nadere afspraken gemaakt over de arbeidsvoorwaarden waaronder appellant is aangesteld.
1.7.
Met zijn brieven van 14 december 2021 en 27 januari 2022 heeft de VRR aan appellant meegedeeld dat de ingangsdatum van zijn bezwarende jaren is vastgesteld op 1 augustus 2007. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat hij van mening is dat hij onder het FLO-overgangsrecht valt en niet onder het ‘20 jaren beleid’.
1.8.
Met het besluit van 14 november 2022 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brieven van 14 december 2021 en 27 januari 2022 niet aangemerkt kunnen worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan dit besluit is het volgende ten grondslag gelegd. De ingangsdatum van de bezwarende jaren van 1 augustus 2007 is al met het besluit van 2 juli 2007 als rechtsgevolg in het leven geroepen. De informatie in de brieven over de ingangsdatum van de bezwarende jaren betreft een mededeling van informatieve aard dan wel een feitelijke kennisgeving. Nu het gaat om een herhaling van een eerder genomen en in rechte vaststaand besluit, is geen sprake van een op rechtsgevolg gericht besluit.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
De brief van 14 december 2021 moet worden gezien als een voornemen, waartegen appellant een zienswijze kon inbrengen. Het gaat vervolgens om de vraag of de brief van 27 januari 2022 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. In het aanstellingsbesluit van 2 juli 2007 is niets vermeld over de ingangsdatum van de bezwarende jaren van appellant. In de brief van 31 mei 2007, is weliswaar vermeld dat appellant maximaal 20 jaar werkzaam blijft in een bezwarende functie, maar deze brief is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hieruit moet worden geconcludeerd dat de brief van 27 januari 2022 gericht is op rechtsgevolg, inhoudende dat de ingangsdatum van de bezwarende jaren is vastgesteld op 1 augustus 2007. De brief van 27 januari 2022 moet dus worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Het bezwaar is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het dagelijks bestuur terecht heeft gesteld dat appellant niet onder het FLO-overgangsrecht valt. Doordat appellant op 1 februari 2007 uit dienst is getreden en op 1 augustus 2007 weer in dienst is getreden, voldoet hij niet aan het vereiste dat de functie sinds 31 december 2005 onafgebroken moet zijn vervuld, zoals vermeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder c van het Besluit Bezwarende Functie (BBF) VRR. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er voldoende concrete toezeggingen zijn gedaan waaraan hij het vertrouwen kon ontlenen dat hij na zijn terugkeer onder het FLO-overgangsrecht zou vallen. Het bezwaar van appellant is daarom door de rechtbank ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant heeft het dagelijks bestuur in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel en is gelet op de gedane toezeggingen het FLO-overgangsrecht op hem van toepassing.
Het incidenteel hoger beroep van het dagelijks bestuur
4. Het dagelijks bestuur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de brief van 27 januari 2022 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt eerst of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de brief van 27 januari 2022 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad komt tot het oordeel dat de brief geen besluit is.
5.1.
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt gedoeld op een handeling die is gericht op rechtsgevolg.
5.2.
In de brief van 27 januari 2022 heeft het dagelijks bestuur de ingangsdatum van de bezwarende jaren vastgesteld op 1 augustus 2007 (waarmee impliciet te kennen is gegeven dat appellant onder het ’20 jaren beleid’ valt en niet onder het FLO-overgangsrecht). Deze brief is informatief van aard en is er niet op gericht om een wijziging in de bestaande rechtspositie van appellant te brengen. Met het aanstellingsbesluit van 2 juli 2007, waarbij appellant per 1 augustus 2007 is aangesteld in een bezwarende functie, is de ingangsdatum van de bezwarende jaren van appellant immers al als rechtsgevolg in het leven geroepen.
5.3.
De brief van 27 januari 2022 kan evenmin aangemerkt worden als een rechtsvaststellend besluit over de rechtspositie van appellant, omdat de toepasselijkheid van het FLO-overgangsrecht rechtstreeks voortvloeit uit de wettelijke regels. [1] Dat appellant, als gevolg van de onderbreking van zijn dienstverband, niet voldoet aan het vereiste vermeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder c van het BBF VRR om onder de werkingssfeer van het FLO-overgangsrecht te vallen, is duidelijk. Daarbij is van belang dat vrijwilligers een geheel andere rechtspositie hebben dan de beroepsbrandwachten. Ten overvloede overweegt de Raad in dit kader nog, dat van een bindende toezegging dat appellant in strijd met artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder c van het BBF VRR toch voor het FLOovergangsrecht in aanmerking zou komen niet is gebleken; evenmin dat pas met de brief van 27 januari 2022 daaraan afbreuk zou zijn gedaan.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Uit het voorgaande volgt dat de brief van 27 januari 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5.5.
Het incidenteel hoger beroep slaagt dus. De rechtbank heeft ten onrechte het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk is verklaard, vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De aangevallen uitspraak wordt daarom vernietigd. De Raad zal het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Hieruit volgt dat niet wordt toegekomen aan een bespreking van het door appellant aangevochten oordeel van de rechtbank.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en G.C. Boot en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.

(getekend) H. Lagas

(getekend) H. de Brabander

Voetnoten