Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:377

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
22/1029 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 8:72 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering WIA-uitkering wegens onderschatting arbeidsongeschiktheid

Appellante was per 21 juni 2020 geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Zij maakte bezwaar en beroep, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank. In hoger beroep stelde appellante dat haar medische situatie, waaronder een borderline persoonlijkheidsstoornis, was onderschat en dat er onvoldoende rekening was gehouden met haar specifieke begeleidingsbehoefte.

De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die bevestigde dat appellante aanzienlijke beperkingen heeft, vooral op emotioneel en sociaal vlak, en dat zij begeleiding nodig heeft door een vaste, coachende leidinggevende met kennis van haar problematiek. Het UWV had deze begeleidingsbehoefte onvoldoende verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van juni 2025.

De Raad oordeelde dat de begeleidingsbehoefte kwalitatieve eisen stelt die niet kunnen worden opgevangen door een jobcoach of algemene voorwaarden in de FML. Hierdoor is geen passende functie te vinden en is appellante volledig arbeidsongeschikt. De Raad vernietigde het eerdere besluit en kende appellante een IVA-uitkering toe met ingang van 21 juni 2020. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep kent appellante met ingang van 21 juni 2020 een IVA-uitkering toe wegens volledige arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

22/1029 WIA
Datum uitspraak: 1 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 februari 2022, 21/1128 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 21 juni 2020 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante is haar medische situatie onderschat en heeft zij recht op een WIA-uitkering. De Raad heeft een deskundige benoemd en volgens deze deskundige moet (onder meer) rekening worden gehouden met specifieke begeleiding door een leidinggevende die begrip en kennis heeft van de problematiek van appellante. Deze voorwaarde komt naar het oordeel van de Raad onvoldoende tot uitdrukking in de nieuwe FML van 24 juni 2025. De Raad voorziet zelf in de zaak en kent appellante een IVA-uitkering toe.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Een meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 december 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhagen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en heeft J.J.D. Tilanus, psychiater, benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 4 juni 2025 een rapport uitgebracht. Zowel appellante als het Uwv hebben hierop gereageerd. Het Uwv heeft daarbij rapporten overgelegd van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Appellante heeft een nadere reactie ingebracht.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Appellante heeft een rapport overgelegd van verzekeringsarts M.M. Wolff-van der Ven van 19 januari 2026. Hierop is gereageerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Op 26 februari 2026 is de zaak behandeld op een nadere zitting. Voor appellante is verschenen mr. Verhagen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als bartender voor gemiddeld 22,64 uur per week. Appellante is per 15 januari 2018 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend en zij heeft zich op 16 februari 2018 ziekgemeld met psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft op 13 mei 2020 een telefonisch spreekuur plaatsgevonden met een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 mei 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 4 juni 2020 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 21 juni 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft tegen het besluit van 4 juni 2020 bezwaar gemaakt, waarna op verzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep een expertise heeft plaatsgevonden door psychiater drs. D. Lam en klinisch neuropsycholoog dr. J.F.M. de Jonghe. Op basis van hun rapport van 6 januari 2021 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen dat geen sprake is van een ziekte of gebrek zodat voor het aannemen van beperkingen geen grondslag bestaat. Bij besluit van 22 januari 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom bij appellante op 21 juni 2020 geen sprake is van objectief medisch vast te stellen ziekte of gebrek. Neuropsycholoog De Jonghe en psychiater Lam hebben hun bevindingen inzichtelijk en gemotiveerd weergegeven. Er zijn aanwijzingen voor onderpresteren, er is sprake van overrapportage van psychische klachten en de presentatie van appellante doet onecht aan. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep mocht afgaan op de bevindingen van deze deskundigen. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die aanknopingspunten bieden voor een andersluidend oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geweigerd om appellante per 21 juni 2020 een WIA-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellante
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv niet inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een objectief vastgestelde ziekte of gebrek. Appellante is in het verleden gediagnosticeerd met borderline, hetgeen een blijvende diagnose is die forse beperkingen met zich brengt. Ten onrechte is hieraan voorbijgegaan. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Onafhankelijke deskundige
3.3.
Op grond van de gedingstukken is bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling. Daarbij is van belang dat het Uwv in het verleden bij een beoordeling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en verschillende Ziektewet-beoordelingen ervan is uitgegaan dat appellante lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en ook tijdens de primaire beoordeling door de verzekeringsarts hiervan is uitgegaan. Pas in bezwaar is op basis van de onder 2 genoemde expertise dit standpunt verlaten en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat geen sprake is van een ziekte of gebrek. Mede door deze wijziging van standpunt heeft de Raad aanleiding gezien psychiater Tilanus als deskundige te benoemen.
3.4.
Deze psychiater heeft op 4 juni 2025 een rapport uitgebracht en hierin geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornis leidt volgens de deskundige tot diverse en aanzienlijke beperkingen in het functioneren van appellante, vooral in het affectieve en conatieve domein. Appellante wordt onder meer matig tot ernstig beperkt geacht voor emotionele belasting (bijvoorbeeld conflicthantering), het aangaan van gangbare interpersoonlijke relaties of contacten. Zij is sneller achterdochtig en kan veel minder goed haar eigen emoties aanvoelen, begrijpen en daarmee omgaan. Appellante is aangewezen op externe structuur en zij is veel minder goed bestand tegen tempodruk of piekbelasting of het moeten functioneren in een voor haar onoverzichtelijke, te drukke of te veel prikkels gevende omgeving. Er dient volgens de deskundige sprake te zijn van begeleiding door een bij voorkeur vaste, laagdrempelig coachende leidinggevende die begrip en kennis van de problematiek van appellante heeft. Verder moet worden vermeden dat appellante moet functioneren in een omgeving waarbij zij te maken krijgt met grote groepen, met name bestaande uit mannen. Deze beperkingen waren volgens de deskundige – in ieder geval – aanwezig op de datum in geding (21 juni 2020). Wat betreft emotionele belasting neemt hij aan dat appellante toen zwaarder beperkt was. Daarbij baseert hij zich op de anamnese waaruit blijkt dat bij appellante in de periode vanaf de gecompliceerde geboorte van haar dochter (in oktober 2019) tot de verhuizing naar [woonplaats] sprake was van psychosociale problematiek.
Reactie van partijen
3.5.
In zijn reactie op het deskundigenrapport heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juni 2025 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 juli 2025 ingebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de deskundige aangenomen diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis overgenomen en op 24 juni 2025 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor appellante functies geselecteerd en geconcludeerd dat appellante op basis hiervan minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De weigering van de WIA-uitkering is onverkort gehandhaafd.
3.6.
Appellante heeft naar voren gebracht dat de door de deskundige aangenomen beperkingen onvoldoende tot uitdrukking komen in de nieuwe FML van 24 juni 2025. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante een rapport overgelegd van verzekeringsarts Wolffvan der Ven van 19 januari 2026. Volgens deze verzekeringsarts is gelet op door Tilanus beschreven begeleidingsnoodzaak, een beperking aan de orde op aspect 1.9.3 (rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding). Ook op andere aspecten zijn de door de deskundige gestelde beperkingen niet juist vertaald door het Uwv. Dit geldt onder meer voor de aspecten 2.6, 2.12.4, 1.9.8, 2.12.6. Ook dient volgens Wolff-van der Ven een urenbeperking overwogen te worden en stelt de deskundige terecht dat de beperkingen ten tijde in geding (21 juni 2020) ernstiger waren dan waar het Uwv vanuit is gegaan. Tijdens de hoorzitting werd namelijk duidelijk dat er problemen waren geweest en sprake is geweest van huiselijk geweld.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Medische beoordeling
4.2.
Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier wat betreft het grootste deel van het rapport van de deskundige voor. Het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft dossierstudie verricht, appellante op 21 mei 2025 onderzocht en heeft de beschikbare medische gegevens uit het dossier bij zijn beoordeling betrokken. In het rapport is uitvoerig en gemotiveerd ingegaan op de vraag of bij appellante op de datum in geding sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis.
4.3.
Alleen wat betreft de door de deskundige aangenomen psychosociale omstandigheden en de hierop gebaseerde toename van beperkingen op de datum in geding, wordt de deskundige niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit verband terecht gewezen op de anamnese van de primaire verzekeringsarts die appellante op 13 mei 2020, dus kort voor de datum in geding (21 juni 2020) heeft gesproken. Toen heeft appellante naar voren gebracht dat zij woonde bij haar vriend en daarbij werden geen problemen vermeld. Hij hielp bij de verzorging van de baby en appellante werd toen begeleid door een maatschappelijk werkster en een verpleegster. Aangezien ook overigens van ernstige psychosociale omstandigheden rond de datum in geding niet is gebleken, is enkel de anamnese van de psychiater en wat appellante tijdens de hoorzitting heeft verklaard, te summier om dergelijke omstandigheden toch aan te nemen en op basis daarvan te concluderen dat (tijdelijk) sprake was van toegenomen beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt dan ook gevolgd in zijn conclusie dat er geen aanleiding is om in zoverre op de datum in geding zwaardere beperkingen aan te nemen.
4.4.
De Raad is echter van oordeel dat in de FML van 24 juni 2025 en het onderliggende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van (eveneens) 24 juni 2025 onvoldoende tegemoet is gekomen aan de door de deskundige aangenomen specifieke begeleidingsbehoefte van appellante in een werksituatie.
4.5.
Uit onder meer de uitspraken van 15 juni 2022 [1] en 8 april 2020 [2] blijkt dat het bij de beoordelingspunt 1.9.3 van de FML (“rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding”) gaat om de beschikbaarheid van een vangnet, zonder dat daar nadere eisen aan hoeven te worden gesteld. Het vragen van meer aandacht dan andere collega’s is een kwantitatief aspect. Het gaat daarbij om “gewoon” leidinggeven en “gewoon” helpen door collega’s. Dat wil zeggen dat het om een niveau van begeleiding gaat dat van leidinggevenden en collega’s in redelijkheid verwacht mag worden. Zodra er een noodzaak is om nadere kwalitatieve eisen aan de leidinggevende en/of collega’s te stellen, is er veeleer sprake van werk onder beschutte omstandigheden.
4.6.
De deskundige acht het in dit geval noodzakelijk dat appellante begeleid wordt door een bij voorkeur vaste, laagdrempelige coachende leidinggevende die begrip en kennis van haar problematiek heeft. Naar het oordeel van de Raad zijn dit kwalitatieve eisen, zoals bedoeld in voormelde rechtspraak. Nu ook door het Uwv van de noodzaak hiervan wordt uitgegaan, is de verzekeringsarts bezwaar en beroep gehouden deze voorwaarden over te nemen in de FML en/of het bijbehorende rapport.
4.7.
In haar rapport van 24 juni 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de begeleidingsbehoefte echter vermeld dat het onmogelijk is te bepalen of een leidinggevende op voorhand hieraan voldoet. Daarom is het van belang in ieder geval te zorgen voor een duidelijke externe structuur, appellante aangewezen te achten op vaste bekende werkwijzen, werk zonder onvoorspelbare werksituatie en zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en werk waarbij zij niet solitair hoeft te werken, maar kan terugvallen op een collega of leidinggevende bij vragen of problemen. Wisselende diensten, avond- en nachtdiensten zijn niet geschikt. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit rapport – en in haar reactie op het rapport van Wolff-van der Ven – benadrukt dat een jobcoach kan worden ingezet die zowel appellante als de leidinggevende zeker in het begin kan begeleiden en helpen te leren omgaan met appellantes problematiek. Verdere begeleiding zal moeten gebeuren door de curatieve sector.
4.8.
De Raad is van oordeel dat het voorgaande de begeleidingsbehoefte van appellante onvoldoende weerspiegelt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon niet volstaan met het louter stellen van voorwaarden voor (onder meer) structuur, vaste bekende werkwijzen, werksituaties zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en werk waarbij appellante kan terugvallen op een collega of leidinggevende bij vragen of problemen. Dat het, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt, op voorhand niet mogelijk is om vast te stellen of een leidinggevende aan de door de deskundige gestelde voorwaarden voldoet, maakt het voorgaande niet anders. Het bestaan van kwalitatieve eisen kan – gelet op voormelde rechtspraak – er wel toe leiden dat voor appellante geen theoretische schatting mogelijk is, en dat zij aangewezen is op werk onder beschutte omstandigheden. Het argument dat de inzet van een jobcoach voor zowel leidinggevende als appellante behulpzaam kan zijn, treft daarnaast geen doel. Zoals volgt uit de uitspraak van de Raad van 19 februari 2016 [3] betreft de inzet van een jobcoach een reintegratie-instrument en speelt deze voorziening in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rol. De tijdelijke inzet van een jobcoach bij een leidinggevende kan verder niet voorkomen dat appellante mogelijk in de toekomst met andere leidinggevenden te maken heeft, zodat een dergelijke, tijdelijke inzet geen structurele oplossing is.
4.9.
Nu de benodigde begeleidingsbehoefte niet kan worden opgevangen met de (tijdelijke) inzet van een jobcoach, houdt de motivering van het Uwv op dit punt geen stand. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv bevestigd dat in dat geval het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem geen geschikte functies bevat. Dit betekent dat appellante per 21 juni 2020 volledig arbeidsongeschikt is en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit worden vernietigd. Gelet op het verhandelde ter zitting en de beschikbare medische gegevens, waaronder het rapport van Tilanus, staat in voldoende mate vast dat de medische situatie op 21 juni 2010 duurzaam is in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. De Raad ziet dan ook aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en appellante per 21 juni 2020 een IVA-uitkering toe te kennen. Gelet op deze uitkomst kan wat appellante, onder verwijzing naar het rapport van Wolff-van der Ven, verder over de FML heeft aangevoerd buiten bespreking blijven.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 4 juni 2020 te herroepen en te bepalen dat appellante met ingang van 21 juni 2020 recht heeft op een IVA-uitkering. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit.
6. Appellante krijgt een vergoeding voor de kosten die zij in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken. De kosten voor rechtsbijstand in bezwaar worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-). De kosten voor rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,‑) en € 3.269,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze, 0,5 punt voor de nadere reactie en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting met een waarde per punt van € 934,-). Daar komt nog bij de kosten van een door appellante ingeschakelde deskundige in hoger beroep ten bedrage van € 1.464,10 (inclusief 21% BTW). Ook de reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting, ter hoogte van € 42,20 (op basis van openbaar vervoer 2e klasse), komen voor vergoeding in aanmerking. Het totale bedrag aan (proces)kosten dat het Uwv moet vergoeden bedraagt € 7.975,30. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 januari 2021;
- herroept het besluit van 4 juni 2020 en bepaalt dat appellante met ingang van 21 juni 2020 recht heeft op een IVA-uitkering;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 22 januari 2021;
- veroordeelt het Uwv in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 7.975,30;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van J.A. AdjeiAsamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.CRvB 15 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1339.
2.CRvB 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:892.
3.CRvB 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:913.