Appellant ontving bijstand vanaf november 2017. Het college trok deze bijstand in per 1 november 2017 wegens het niet melden van handelsactiviteiten op Marktplaats en later online gokactiviteiten. Een onderzoek toonde aan dat via een account op naam van appellant veertien advertenties met hoge vraagprijzen waren geplaatst tussen november 2017 en december 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Hoewel het college terecht handelsactiviteiten aan appellant toerekent, is er onvoldoende feitelijke grondslag om aan te nemen dat appellant in alle maanden van de periode handelsactiviteiten heeft verricht. In maanden zonder advertenties is geen bewijs van handelsactiviteiten.
Daarom vernietigt de Raad het besluit voor de maanden waarin geen advertenties zijn geplaatst en herroept het besluit van 29 april 2021 voor die periode. Tevens krijgt appellant een vergoeding van €5.068,- voor gemaakte kosten en terugbetaling van griffierecht. De intrekking blijft alleen gehandhaafd voor de maanden waarin daadwerkelijk advertenties zijn geplaatst.