Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:346

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/245 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 3:2 AwbArt. 7:12, eerste lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en handelsactiviteiten via Marktplaats

Appellant ontving bijstand vanaf november 2017. Het college trok deze bijstand in per 1 november 2017 wegens het niet melden van handelsactiviteiten op Marktplaats en later online gokactiviteiten. Een onderzoek toonde aan dat via een account op naam van appellant veertien advertenties met hoge vraagprijzen waren geplaatst tussen november 2017 en december 2019.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Hoewel het college terecht handelsactiviteiten aan appellant toerekent, is er onvoldoende feitelijke grondslag om aan te nemen dat appellant in alle maanden van de periode handelsactiviteiten heeft verricht. In maanden zonder advertenties is geen bewijs van handelsactiviteiten.

Daarom vernietigt de Raad het besluit voor de maanden waarin geen advertenties zijn geplaatst en herroept het besluit van 29 april 2021 voor die periode. Tevens krijgt appellant een vergoeding van €5.068,- voor gemaakte kosten en terugbetaling van griffierecht. De intrekking blijft alleen gehandhaafd voor de maanden waarin daadwerkelijk advertenties zijn geplaatst.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt vernietigd en herroepen voor de maanden zonder handelsactiviteiten via Marktplaats, met vergoeding van kosten aan appellant.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/245 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 december 2023, 21/7965 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Datum uitspraak: 24 maart 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om een intrekking van bijstand. Het college heeft aan deze intrekking, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellant, door geen melding te maken van handel op Marktplaats, zijn inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant voert aan dat niet hij, maar anderen, de handelsactiviteiten hebben verricht. Net als de rechtbank is de Raad het niet met appellant eens. Het college heeft de handelsactiviteiten terecht toegerekend aan appellant. Het college heeft echter ten onrechte de bijstand ingetrokken over de gehele periode die in geding is. Niet in alle maanden in die periode zijn namelijk advertenties geplaatst op Marktplaats. Er zijn geen feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellant in de maanden waarin geen advertenties zijn geplaatst, toch handelsactiviteiten heeft verricht.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van der Eijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Eijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Rietveld en J.V.A. Greveling.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving vanaf 1 november 2017 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet.
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant zich bezighield met criminele activiteiten heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Zoetermeer (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek en internetonderzoek verricht. Tevens heeft de sociaal rechercheur gegevens gevorderd bij verschillende instanties, waaronder Marktplaats. De sociaal rechercheur heeft op basis van de verkregen gegevens van Marktplaats vastgesteld dat in de periode van 1 november 2017 tot en met 31 december 2019 via een op naam van appellant staand Marktplaatsaccount in totaal 14 advertenties zijn geplaatst, waarin onder meer nieuwe telefoons en auto’s met vraagprijzen tussen de € 19.000,- en € 33.200,- werden aangeboden. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 26 april 2021.
1.3.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college met een besluit van 29 april 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 20 oktober 2021 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2017 ingetrokken. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, in de periode van 1 november 2017 tot en met 31 december 2019 door geen melding te maken van handelsactiviteiten op Marktplaats en vanaf 1 januari 2020 door geen melding te maken van online gokactiviteiten. Aangezien appellant geen administratie heeft bijgehouden van de handels- en gokactiviteiten, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking van de bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Ter zitting is vastgesteld dat de intrekking van de bijstand over de periode vanaf 1 januari 2020 niet langer in geschil is. Dat betekent dat in dit geval het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 1 november 2017 tot en met 31 december 2019 (te beoordelen periode).
4.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, appellant gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht over die periode niet kan worden vastgesteld.
4.3.
Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode, gebruik makend van een account op naam van appellant, veertien advertenties op Marktplaats zijn geplaatst waarin onder meer nieuwe telefoons en auto’s met aanzienlijke vraagprijzen werden aangeboden. Ook niet in geschil is dat dit handelsactiviteiten zijn die voor het recht op bijstand van belang kunnen zijn en dat appellant van deze handelsactiviteiten geen melding heeft gemaakt aan het college.
4.4.
Tussen partijen is in geschil of appellant in de te beoordelen periode handelsactiviteiten via Marktplaats heeft verricht. Appellant voert aan dat dat niet het geval is. Hij stelt dat de handelsactiviteiten niet aan hem kunnen worden toegerekend, omdat niet hij, maar derden, de handelsactiviteiten via zijn account hebben verricht. Volgens appellant werd zijn Marktplaatsaccount door meerdere mensen gebruikt. De auto’s waren van zijn toenmalige vriendin en zijn door haar gekocht en verkocht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.4.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat verkoopactiviteiten op Marktplaats in beginsel worden toegerekend aan de persoon aan wie het account waarmee de advertenties zijn geplaatst toebehoort. [1] Appellant heeft daar onvoldoende tegen ingebracht om die vooronderstelling te ontkrachten. De enkele, niet onderbouwde stelling, dat zijn account ook door derden werd gebruikt is hiervoor onvoldoende.
4.4.2.
Gelet op het voorgaande heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant handelsactiviteiten heeft verricht.
4.5.
Voor zover appellant met zijn beroepsgrond dat hij geen handelsactiviteiten heeft verricht, heeft willen aanvoeren dat hij niet in de hele te beoordelen periode dergelijke activiteiten heeft verricht, slaagt deze beroepsgrond. Daarvoor is het volgende van belang.
4.5.1.
De onderzoeksbevindingen bieden geen toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant gedurende de gehele te beoordelen periode handelsactiviteiten heeft verricht. De veertien advertenties die in de te beoordelen periode zijn geplaatst, zijn geplaatst in de maanden november 2017, februari 2018, maart 2018, mei 2018, oktober 2018, februari 2019, mei 2019, juli 2019 en december 2019. In de overige maanden heeft appellant geen advertenties geplaatst. Er zijn geen feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellant in de maanden waarin geen advertenties zijn geplaatst, toch handelsactiviteiten heeft verricht. De omstandigheid dat de prijzen van de op Marktplaats te koop aangeboden goederen erg hoog waren is in dit kader niet relevant. Aan de intrekking is immers alleen maar ten grondslag gelegd dat appellant handelsactiviteiten heeft verricht door advertenties op Marktplaats te plaatsen.
4.6.
Uit 4.5 en 4.5.1 volgt dat er geen grondslag is voor intrekking van de bijstand over de maanden december 2017, januari, april, juni tot en met september, november en december 2018 en januari, maart, april, juni en augustus tot en met november 2019. In zoverre is het bestreden besluit dus niet zorgvuldig voorbereid en berust het niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Conclusie en gevolgen

4.7.
Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet daarom worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de december 2017, januari, april, juni tot en met september, november en december 2018 en januari, maart, april, juni en augustus tot en met november 2019. Aan het besluit van 29 april 2021 kleeft hetzelfde gebrek. Omdat het college kenbaar heeft gemaakt dat dit gebrek niet kan worden hersteld, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 29 april 2021 in zoverre te herroepen.
5. Appellant krijgt een vergoeding voor de kosten die hij in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting; waarde per punt € 666,-), € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting; waarde per punt € 934,-) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting; waarde per punt € 934,-), in totaal dus € 5.068,-. Hij krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 oktober 2021 voor zover het ziet op de intrekking over de maanden december 2017, januari, april, juni tot en met september, november en december 2018, januari, maart, april, juni en augustus tot en met november 2019;
  • herroept het besluit van 29 april 2021in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 20 oktober 2021;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.068,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en W.F. Claessens en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. (…)
Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet
Het dagelijks bestuur herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. (…)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1313, en van 12 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1227.