Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag over de toekenning van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Na een eerdere uitspraak van de rechtbank die het bezwaar ongegrond verklaarde en het beroep gegrond, stelde appellant hoger beroep in tegen het niet vergoeden van de bezwaarkosten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het niet vergoeden van bezwaarkosten geen zelfstandig procesbelang oplevert, tenzij het bestuursorgaan het besluit in bezwaar herroept zonder vergoeding toe te kennen of de hoogte van de vergoeding in geschil is. Dit was niet het geval, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard.
Daarnaast bevestigt de Raad de uitspraak van de rechtbank over de toegekende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelt dat de procedures samenhangen en dat slechts eenmaal een vergoeding per fase van de procedure kan worden toegekend.
Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet terugbetaald. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 maart 2026.