ECLI:NL:CRVB:2026:304

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/2217 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 31 PWArt. 32 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt niet-ontvankelijkverklaring bezwaar bij intrekking en terugvordering bijstand

Appellant ontving sinds 2015 bijstand en werd in 2022 geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand vanwege onvoldoende informatie over werkzaamheden en verblijf in het buitenland. Het college verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk omdat appellant niet reageerde op aangetekende brieven waarin om bezwaargronden werd gevraagd.

De Raad oordeelt dat het college ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat redelijkerwijs betwijfeld kan worden of de aangetekende brief van 19 september 2022 op regelmatige wijze is aangeboden. PostNL gaf geen bewijs van achterlating afhaalbericht en appellant leverde concrete voorbeelden van fouten bij aangetekende post. Hierdoor mocht het college appellant niet benadelen door het niet afhalen van de brief.

De Raad vernietigt het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren tegen intrekking en terugvordering. De afwijzing van de nieuwe aanvraag om bijstand blijft echter in stand omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, gelet op zijn promotionele werkzaamheden voor evenementen.

Appellant krijgt een vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige communicatie en het bieden van herstelmogelijkheden bij gebreken in bezwaarprocedures.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen intrekking en terugvordering bijstand wordt vernietigd, het college moet een nieuwe beslissing nemen; de afwijzing van de nieuwe aanvraag om bijstand blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2217 PW, 24/2218 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 augustus 2024, 22/8335 en 23/3911 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)
Datum uitspraak: 10 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over een intrekking en een terugvordering van bijstand en de afwijzing van een nieuwe aanvraag om bijstand. Het college heeft de bezwaren van appellant tegen de intrekking en de terugvordering niet inhoudelijk behandeld, omdat appellant niet heeft gereageerd op de aangetekend verstuurde brief over het indienen van de gronden van de bezwaren. Volgens appellant had het college zijn bezwaren wel inhoudelijk moeten behandelen. De Raad geeft appellant daarin gelijk omdat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat het postbedrijf een afhaalbericht heeft achtergelaten toen de bezorging van de brief niet lukte. Appellant zal alsnog in de gelegenheid moeten worden gesteld om die gronden in te dienen, waarna het college een nieuw besluit moet nemen op de bezwaren tegen de intrekking en de terugvordering. Het college heeft de nieuwe aanvraag om bijstand afgewezen. Volgens appellant is dat niet terecht omdat hij recht op bijstand heeft. De Raad geeft appellant daarin geen gelijk. Hij heeft namelijk geen duidelijkheid gegeven over de op geld waardeerbare werkzaamheden die hij heeft verricht in verband met de promotie van evenementen en daardoor niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.D. Nijenhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nijenhuis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Doeve.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 5 januari 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande. In 2020 en 2021 is een aantal anonieme telefonische meldingen binnengekomen bij de sociale recherche van de gemeente Leidschendam-Voorburg, waarin werd gesteld dat appellant allerlei feesten organiseerde en dat hij meerdere keren in het buitenland verbleef.
1.2.
Naar aanleiding van deze meldingen zijn twee sociaal rechercheurs van de gemeente een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. Hierna worden de relevante onderzoeksbevindingen genoemd.
1.2.1.
Bij een internetonderzoek troffen de sociaal rechercheurs op de Facebook-pagina van de organisatie [naam organisatie ] vanaf 2019 verschillende posters aan waarop optredens werden aangekondigd en waarop het bij de gemeente bekende telefoonnummer van appellant stond vermeld voor het verkrijgen van informatie en het reserveren van tickets. Ook op de Instagram-pagina van appellant werden verschillende van dit soort posters gedeeld. Op de posters werd na 16 augustus 2020 het telefoonnummer van appellant niet meer gebruikt en na 25 juni 2021 werden er helemaal geen evenementen meer aangekondigd op deze Facebook-pagina. Uit informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat de organisatie [naam organisatie ] een eenmanszaak is van iemand anders dan appellant. Die persoon is op [datum] 2021 overleden en het bedrijf is per die datum opgeheven.
1.2.2.
Tijdens het onderzoek hebben de sociaal rechercheurs bericht gekregen van de sociale recherche van de gemeente Zoetermeer dat zij op 12 mei 2022 een anonieme melding over appellant heeft gekregen. Volgens de melder heeft appellant onder andere de activiteiten van [naam organisatie ] inmiddels overgenomen en organiseert hij feesten voor de Irakese gemeenschap in Nederland. Appellant zou op door de melder genoemde sociale media accounts promotiemateriaal posten voor de feesten.
1.2.3.
Bij het bekijken van de Snapchat-pagina van appellant hebben de sociaal rechercheurs verschillende filmpjes aangetroffen waaruit blijkt dat appellant meerdere malen in het buitenland verbleef en dat hij evenementen promootte die in 2021 en 2022 zouden worden gehouden. Op het promotiemateriaal stond ook de naam [naam evenement] . Bij het bekijken van de Facebook-pagina van deze organisatie hebben de sociaal rechercheurs geconstateerd dat het bij de gemeente bekende e-mailadres van appellant staat vermeld bij de contactgegevens. Ook zijn op deze pagina posters geplaatst met betrekking tot allerlei evenementen die in Europa werden georganiseerd. Daarnaast is op een geplaatste foto te zien dat appellant is geïnterviewd door iemand met een microfoon.
1.2.4.
Daarnaast hebben de sociaal rechercheurs gegevens gevorderd bij de drie grootste Nederlandse luchtvaartmaatschappijen. Uit de aangeleverde informatie komt naar voren dat appellant vanaf 5 januari 2015 met die maatschappijen in totaal 36 (enkele) vluchten heeft gemaakt.
1.2.5.
Op 14 juni 2022 hebben de sociaal rechercheurs met appellant gesproken. Appellant heeft verklaard dat [naam organisatie ] van een vriend van hem was en dat hij die vriend daarmee hielp. Dit was alleen als afleiding en voor de gezelligheid bedoeld. Appellant moest mensen wijzen waar zij een ticket konden boeken en hij stond bij de deur om mensen de route te tonen. Hij kreeg in ruil hiervoor gratis eten. Na het overlijden van zijn vriend heeft appellant nog een bevriende zanger in Duitsland geholpen met dezelfde soort activiteiten. Hij beheert daarom de Facebook-pagina [naam evenement] . Hij kreeg hiervoor niet betaald. Hij heeft wel een interview gegeven omdat hij dat stoer vond om te doen. Appellant heeft verklaard geen boekhouding te hebben bijgehouden van zijn activiteiten. De vliegreizen die hij maakte waren om een zieke vriend te bezoeken, om de bevriende zanger te helpen of om op vakantie te gaan. Veel van deze reizen zijn door anderen betaald.
1.3.
De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 juni 2022. Het college heeft in deze bevindingen reden gezien om met een besluit van 14 juli 2022 (besluit 1) de bijstand van appellant in te trekken vanaf 10 juli 2019 met als reden dat hij onvoldoende gegevens heeft verstrekt over zijn werkzaamheden voor [naam organisatie ] en [naam evenement] om het recht op bijstand vast te stellen. Om dezelfde reden heeft het college toegekende individuele inkomenstoeslag en energietoeslag ingetrokken. Daarnaast heeft het college als reden voor de intrekkingen genoemd dat appellant van veelvuldig verblijf in het buitenland geen melding heeft gemaakt.
1.4.
Op 29 juli 2022 heeft de gemachtigde van appellant een bezwaarschrift zonder onderbouwing ingediend tegen besluit 1. Op 9 augustus 2022 heeft het college het dossier van de zaak aangetekend aan de gemachtigde gezonden en hem verzocht om uiterlijk 25 augustus 2022 de gronden van het bezwaar in te dienen. In de brief is de mogelijkheid van een niet-ontvankelijk verklaring benoemd. Gemachtigde heeft niet gereageerd op deze brief.
1.5.
Met een besluit van 8 september 2022 (besluit 2) heeft het college de vanaf 10 juli 2019 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 44.806,19 van appellant teruggevorderd. Op 12 september 2022 heeft de gemachtigde van appellant een bezwaarschrift zonder onderbouwing ingediend tegen besluit 2. Op 19 september 2022 heeft het college het dossier van de zaak aangetekend aan de gemachtigde gezonden en hem verzocht om uiterlijk 3 oktober 2022 de gronden van het bezwaar tegen besluiten 1 en 2 in te dienen. In de brief is de mogelijkheid van een niet-ontvankelijk verklaring benoemd. Gemachtigde heeft niet gereageerd op deze brief.
1.6.
Appellant heeft zich gemeld voor een nieuwe aanvraag om bijstand. Die aanvraag is niet in behandeling genomen. Hiertegen heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Hij heeft zich vervolgens op 16 september 2022 opnieuw gemeld voor het doen van een nieuwe aanvraag om bijstand, met het verzoek die vanaf 24 juni 2022 toe te kennen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij geen enkele activiteit meer ontplooit. In het kader van die aanvraag heeft de sociaal rechercheur opnieuw onderzoek gedaan en daarvan op 30 september 2022 een rapport opgemaakt. Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende. Uit internetonderzoek is gebleken dat het e-mailadres van appellant nog steeds vermeld was op de Facebook-pagina van [naam evenement] . Op een ander sociaal medium-account van appellant zag de sociaal rechercheur verder dat appellant ook in de voorgaande periode promotiemateriaal voor evenementen deelde. Hoewel zijn telefoonnummer daarbij niet vermeld werd, is daaruit wel betrokkenheid van appellant voor die evenementen af te leiden. Zo is een filmpje te zien waarin hij een rondleiding geeft op een boot waar een evenement zal worden gehouden.
1.7.
Met een besluit van 12 oktober 2022 (besluit 3) heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat er geen gewijzigde omstandigheden zijn die het verstrekken van een nieuwe uitkering rechtvaardigen.
1.8.
Met een besluit van 16 november 2022 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van appellant tegen besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard met als reden dat hij geen gronden voor zijn bezwaren heeft ingediend en dit verzuim, ondanks een daartoe geboden termijn, niet heeft hersteld.
1.9.
Op 14 december 2022 heeft een sociaal rechercheur een nieuw rapport opgesteld naar aanleiding van een nader internetonderzoek. Daarin staat dat bij dit onderzoek is geconstateerd dat veel van de eerder aangetroffen filmpjes inmiddels zijn verwijderd van de accounts van appellant. Wel kon de rechercheur zien dat appellant in de periode tot en met begin november 2022 nog filmpjes heeft gepost die te maken hebben met evenementen en dat die filmpjes inmiddels zijn verwijderd.
1.10.
Met een besluit van 26 april 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 3 ongegrond verklaard met als reden dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de activiteiten die tot de intrekking van de bijstand hebben geleid heeft beëindigd, zodat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de intrekking van zijn bijstand.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt voor zover het betrekking heeft op bestreden besluit 1 en niet slaagt voor zover het betrekking heeft op bestreden besluit 2. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Nietontvankelijkheid bezwaren tegen besluiten 1 en 2
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte zijn bezwaren tegen besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld om de gronden van de bezwaren alsnog in te dienen. Deze grond slaagt. Daarvoor is het volgende van belang.
4.1.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de brief van 9 augustus 2022 heeft ontvangen, waarin een termijn is geboden om bezwaargronden tegen besluit 1 in te dienen. Appellant betwist wel dat hij de aangetekende brief van 19 september 2022 heeft ontvangen, waarin hem een termijn werd verleend om bezwaargronden tegen besluiten 1 en 2 in te dienen, of dat een afhaalbericht is achtergelaten. Dit is van belang in het kader van het volgende. [1]
Bezwaar tegen besluit 2
4.1.2.
Bij de beoordeling van de vraag of appellant – zoals hij stelt – inderdaad de gelegenheid is onthouden om de gronden in bezwaar in te dienen, is van belang of van de daartoe aangetekend verzonden post aannemelijk is gemaakt dat geen afhaalbericht is achtergelaten. Dat berust op het volgende. Als een poststuk van een bestuursorgaan of rechterlijke instantie aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende heeft aangeboden. Als het interne systeem van het postvervoerbedrijf laat zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht in de brievenbus heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden.
4.1.3.
Als belanghebbende stelt dat hij het stuk niet heeft ontvangen, doordat het niet is uitgereikt of doordat geen afhaalbericht op het juiste adres is achtergelaten, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als belanghebbende erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden en dat hij het dus niet langs die weg heeft ontvangen.
4.1.4.
Uit de gegevens van PostNL blijkt dat in dit geval de bezorger op 20 september 2022 heeft geprobeerd om de aangetekende brief van 19 september 2022 door uitreiking te bezorgen op het kantoor van de gemachtigde van appellant, maar dat dit niet gelukt is. Daarom is de brief naar een PostNL-punt gebracht. De envelop van de brief heeft het college uiteindelijk retour ontvangen en bevindt zich onder de gedingstukken. Op de envelop zit een sticker van dat PostNL-punt waarop staat dat de brief retour afzender is gegaan. Noch in de track & trace informatie, noch op de envelop, is een notitie gemaakt van de achterlating van een afhaalbericht.
4.1.5.
Appellant stelt dat geen afhaalbericht is ontvangen en heeft in dat kader aangevoerd dat PostNL vaker niet juist handelt bij aangetekend verzonden poststukken. Hij heeft daarbij verwezen naar algemene informatie, zoals onderzoeken van onder andere televisieprogramma Radar, waaruit dit naar voren komt. Daarnaast heeft hij verwezen naar concrete voorbeelden van dit soort fouten, waarmee het kantoor van zijn gemachtigde in de afgelopen jaren te maken heeft gehad. Zo heeft zijn gemachtigde eerder met een afhaalbericht bij een PostNL-punt aangetekende post opgehaald, waar ter plekke duidelijk werd dat er nog meer aan hem gerichte aangetekende post lag te wachten zonder dat daarvoor een afhaalbericht was achtergelaten. Daarnaast heeft zijn gemachtigde eerder aangetekende brieven in de brievenbus aangetroffen, of werd een afhaalbericht achtergelaten, waarvan later geen gekoppeld aangetekend poststuk gevonden kon worden.
4.1.6.
Gelet op het gegeven dat uit de informatie van PostNL niet blijkt dat een afhaalbericht is achtergelaten en gelet op de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden kan redelijkerwijs worden betwijfeld dat de brief van 19 september 2022 op regelmatige wijze op het adres van de gemachtigde is aangeboden. Dit betekent dat.de gevolgen van het niet afhalen van de aangetekende brief niet voor rekening van appellant mogen komen.
4.1.7.
Appellant is daardoor niet in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bezwaarschrift, namelijk het ontbreken van de bezwaargronden, te herstellen, zoals bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit geldt voor het bezwaar tegen besluit 2. Het college was dan ook niet bevoegd om het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk te verklaren. Het bezwaar tegen besluit 2 is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Bezwaar tegen besluit 1
4.1.8.
Appellant heeft wel, namelijk bij brief van 9 augustus 2022, de gelegenheid gekregen om het gebrek in het bezwaar tegen besluit 1 te herstellen. De ontvangst van die brief heeft appellant niet ontkend en hij heeft de bezwaargronden niet alsnog ingediend. Het college was daarom op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb wel bevoegd om het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk te verklaren.
4.1.9.
Het college was tot die niet-ontvankelijkverklaring niet verplicht. Dit betekent dat het college bij zijn besluit om het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk te verklaren een belangenafweging had moeten maken, waarbij tegenover het belang van het besluitvormingsproces het belang stond van appellant bij een voorziening in het bestaan. Het college had bij die belangenafweging, die ten onrechte achterwege is gebleven, kunnen laten meewegen dat het college al had beslist om appellant in de brief van 19 september 2022 ook een tweede termijn te geven voor het herstellen van het gebrek in het bezwaar tegen besluit 1. Die tweede herstelgelegenheid heeft appellant niet tijdig bereikt, zoals volgt uit 4.1.2 tot en met 4.1.7. Maar dit betekent in dit geval niet dat het college in redelijkheid kon beslissen om appellant alsnog die tweede herstelgelegenheid te onthouden, omdat, zoals in 4.1.6 is geconcludeerd, de gevolgen van het niet afhalen van de aangetekende brief van 19 september 2022 niet voor rekening van appellant zijn.
4.1.10.
Uit 4.1.9 volgt dat het college redelijkerwijs niet van de bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen besluit 1 gebruik kon maken. Dit betekent dat ook het bezwaar tegen besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
Bestreden besluit 1
4.1.11.
Dit betekent dat bestreden besluit 1 niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Aangezien appellant gedurende de procedure niet alsnog zijn gronden tegen besluiten 1 en 2 heeft kenbaar gemaakt, is het op dit moment niet mogelijk om de zaak definitief af te doen voor zover het om bestreden besluit 1 gaat. Appellant zal alsnog in de gelegenheid gesteld moeten worden om zijn gronden tegen besluiten 1 en 2 aan te voeren en het college zal een nieuwe inhoudelijke beslissing op die bezwaren moeten nemen.
Afwijzing aanvraag
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat zijn aanvraag om bijstand ten onrechte is afgewezen omdat hij geen activiteiten meer heeft die aan bijstandverlening in de weg staan. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.1.
Omdat gelet op 4.1.11 nog onduidelijk is wat de uitkomst zal zijn van de behandeling van het bezwaar tegen besluit 1, is het in beginsel voorbarig om een oordeel te geven over bestreden besluit 2. Immers, als de intrekking van bijstand geen standhoudt, was er achteraf bezien geen reden om opnieuw bijstand aan te vragen en is er dus geen plaats voor een beoordeling van de nieuwe aanvraag. Als de intrekking wel standhoudt, is voor een dergelijke beoordeling wel plaats. Partijen hebben echter tijdens de zitting de Raad expliciet verzocht om een inhoudelijk oordeel over de afwijzing van de nieuwe bijstandsaanvraag. De Raad ziet aanleiding aan dit verzoek gehoor te geven in die zin, dat daarbij buiten beschouwing wordt gelaten dat het hier gaat om een nieuwe aanvraag om bijstand na een eerdere intrekking. Daarbij zal de Raad beoordelen of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij over de periode die in dit verband van belang is in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Appellant is daarmee niet tekortgedaan, omdat hij zo niet hoeft te stellen en aan te tonen dat zijn omstandigheden zijn gewijzigd sinds de intrekking van bijstand waardoor hij nu wel recht op bijstand heeft. Dit geldt als een zwaardere stelplicht en bewijslast in verhouding tot de gewone aanvraag om bijstand. De Raad wijst met het oog op de nieuw te nemen beslissingen op bezwaar op dat de bewijslast – anders dan bij de nieuwe aanvraag – bij de belastende besluiten van intrekking en terugvordering bij het college berust.
4.2.2.
De te beoordelen periode loopt van 24 juni 2022, de gewenste ingangsdatum, tot en met 12 oktober 2022, de datum van besluit 3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Dit standpunt is juist, gelet op het volgende.
4.2.3.
Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden kan voor het recht op bijstand van belang zijn. Dit hangt niet af van de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht. Het maakt ook niet uit of uit die werkzaamheden inkomsten worden genoten. Voor het recht op bijstand moet namelijk niet alleen rekening worden gehouden met het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook met het inkomen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW. Het gaat om werkzaamheden waar gewoonlijk een beloning tegenover staat of waarvoor de betrokkene redelijkerwijs een beloning kan bedingen. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.2.4.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Appellant heeft met een brief van 26 augustus 2022 het college bericht dat hij geen enkele activiteit (meer) ontplooit zoals genoemd in het registratieformulier Werk en Inkomen. Op zitting heeft appellant nader toegelicht dat hij hiermee bedoelde dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden (meer) verrichtte voor evenementen, dat zijn telefoonnummer ook niet meer werd gebruikt op de promotieposters en dat hij alleen nog berichten uit interesse deelde. Maar dit komt niet overeen met de uitkomsten van het onderzoek van het college naar aanleiding van de door appellant verschafte gegevens. Daaruit blijkt namelijk dat de activiteiten van appellant verder gingen dan het alleen uit interesse delen van berichten op sociale media. Zo is in een filmpje van 15 juli 2022 te zien dat appellant zelf een rondleiding geeft in een evenementengebouw. In een filmpje van 25 juli 2022 is te zien dat appellant een rondleiding geeft op een boot waar de volgende maand een evenement werd gehouden. In een filmpje van 27 september 2022 kondigt appellant een feest aan en geeft hij aan dat de kaarten bij hem persoonlijk te bestellen zijn. Al die tijd is ook nog steeds het e-mailadres van appellant gekoppeld geweest aan de Facebook-pagina van [naam evenement] . Daarnaast heeft appellant ook in de periode na 9 oktober 2022 verschillende filmpjes geplaatst, maar die gedurende het onderzoek verwijderd, voordat de sociaal rechercheurs deze hebben kunnen bekijken. Daardoor is onduidelijk gebleven welke activiteiten appellant precies heeft verricht met betrekking tot deze filmpjes. Met deze bevindingen is echter duidelijk dat appellant een wezenlijke rol heeft vervuld in de promotie van verschillende betaalde evenementen.
4.2.5.
Tegenover dit soort activiteiten staat gewoonlijk een beloning. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant daarvoor redelijkerwijs een beloning had kunnen bedingen. Daarom is sprake van op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellant heeft geen duidelijkheid gegeven over de omvang van deze werkzaamheden, zodat niet is in te schatten welk bedrag hij daarmee had kunnen verdienen. Hij heeft daarom dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
4.2.6.
Omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, is niet van belang of zijn omstandigheden waren gewijzigd sinds de eerdere intrekking van de bijstand.
4.2.7.
Dit leidt tot de slotsom dat, als de intrekking van de bijstand bij besluit 1 in stand blijft, de afwijzing van de nieuwe aanvraag om bijstand van 16 september 2022 ook in stand blijft. Als de intrekking niet in stand blijft was achteraf bezien voor een nieuwe aanvraag geen plaats, dus ook niet voor een afwijzing daarvan. Het college heeft de aanvraag om bijstand, voor zover die op zijn plaats was, terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt gelet op 4.1.9 gedeeltelijk. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. Dit beroep wordt gegrond verklaard en bestreden besluit 1 wordt vernietigd. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen besluiten 1 en 2. Er bestaat in dit geval geen aanleiding te bepalen dat beroep tegen het nieuwe besluit alleen bij de Raad kan worden ingesteld. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Dit betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen op de bezwaren tegen de intrekking en terugvordering van bijstand en dat de afwijzing van de nieuwe aanvraag om bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt krijgt appellant een vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant, namelijk 1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen bestreden besluit 1, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de Raad, met een waarde van € 934,- per punt, in totaal € 3.736,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 16 november 2022 ongegrond is verklaard;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 16 november 2022 gegrond en vernietigt dit besluit;
  • draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren tegen besluiten 1 en 2, met inachtneming van deze uitspraak;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en D.H. Harbers en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d
1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
[…]
d. de gronden van het bezwaar of beroep.
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Participatiewet
Artikel 31, eerste lid
1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 32, eerste lid
1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, […] dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de Raad van 15 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:647.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.