Appellant ontving sinds 2015 bijstand en werd in 2022 geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand vanwege onvoldoende informatie over werkzaamheden en verblijf in het buitenland. Het college verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk omdat appellant niet reageerde op aangetekende brieven waarin om bezwaargronden werd gevraagd.
De Raad oordeelt dat het college ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat redelijkerwijs betwijfeld kan worden of de aangetekende brief van 19 september 2022 op regelmatige wijze is aangeboden. PostNL gaf geen bewijs van achterlating afhaalbericht en appellant leverde concrete voorbeelden van fouten bij aangetekende post. Hierdoor mocht het college appellant niet benadelen door het niet afhalen van de brief.
De Raad vernietigt het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren tegen intrekking en terugvordering. De afwijzing van de nieuwe aanvraag om bijstand blijft echter in stand omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, gelet op zijn promotionele werkzaamheden voor evenementen.
Appellant krijgt een vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige communicatie en het bieden van herstelmogelijkheden bij gebreken in bezwaarprocedures.