Appellant ontving sinds 2015 bijstand en werd in 2022 geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand vanwege onvoldoende informatie over werkzaamheden en verblijf in het buitenland. Het college verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk omdat appellant niet op aangetekende brieven reageerde waarin om bezwaargronden werd gevraagd.
De Raad oordeelt dat het college ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat redelijkerwijs kan worden betwijfeld of de aangetekende brief op regelmatige wijze is aangeboden, aangezien geen afhaalbericht is achtergelaten en appellant concrete voorbeelden van fouten bij PostNL aanvoerde. Hierdoor mocht het college appellant niet benadelen door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
De Raad vernietigt het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren. De afwijzing van de nieuwe aanvraag om bijstand blijft echter in stand omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, gelet op zijn promotionele activiteiten voor evenementen die op geld waardeerbare werkzaamheden vormen.
Appellant krijgt een vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige postbezorging en het recht op herstel van bezwaren bij bestuursrechtelijke procedures.