Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:299

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
26/179 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 ParticipatiewetArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij intrekking bijstand wegens vermeende schending inlichtingenverplichting

Verzoeker had bijstand ontvangen die het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk op 1 april 2025 introk wegens een vermeende schending van de inlichtingenverplichting. Het college baseerde dit op het feit dat verzoeker meerdere ondernemingen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel had staan en mogelijk inkomsten had genoten, zonder dit voldoende te hebben toegelicht.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaarde het bezwaar van verzoeker ongegrond. Verzoeker ging hiertegen in hoger beroep en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening vanwege een dreigende uithuiszetting door huurachterstand.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat verzoeker daadwerkelijk op geld waardeerbare activiteiten had verricht in de te beoordelen periode, noch dat het recht op bijstand daardoor niet vastgesteld kon worden. Gezien de reële en urgente dreiging van uithuiszetting en het ontbreken van bewijs van inkomen of vermogen, werd de voorlopige voorziening toegewezen.

Het college werd verplicht om de bijstand vanaf 1 april 2025 te hervatten, de huurachterstand direct te voldoen aan de woningbouwvereniging en de resterende bijstand aan verzoeker uit te betalen totdat in het hoger beroep uitspraak wordt gedaan.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college moet de bijstand hervatten en de huurachterstand voldoen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter

26.179 PW-VV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Zitting heeft: E.C.E. Marechal
Griffier: R.R. Olde Engberink
Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Chang Shang Min en mr. S. Martens.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
  • wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe in die zin dat het dagelijks bestuur met ingang van 1 april 2025 aan verzoeker bijstand verleent ter hoogte van de voor hem van toepassing zijnde norm tot de datum waarop in het hoger beroep van verzoeker uitspraak wordt gedaan;
  • bepaalt dat het college vandaag zo snel als mogelijk na afloop van de zitting van het totaalbedrag aan na te betalen bijstand de huurachterstand van verzoeker voldoet door deze vandaag en direct aan de woningbouwvereniging te betalen en de betrokken woningbouwvereniging ook vandaag hiervan op de hoogte te stellen;
  • bepaalt dat het college het overige deel van het totaalbedrag van de na te betalen bijstand betaalbaar stelt aan verzoeker en de verdere op grond van de voorlopige voorziening toekomstige verschuldigde bijstand vanaf heden tot de datum waarop in het hoger beroep van verzoeker uitspraak wordt gedaan per reguliere maandelijkse betaling aan hem uitbetaalt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Met een besluit van 19 mei 2025 heeft het college de bijstand van verzoeker op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW) met ingang van 1 april 2025 ingetrokken. Met een besluit van 5 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 19 mei 2025 ongegrond verklaard en de grondslag van de intrekking gewijzigd naar artikel 54, derde lid, van de PW.
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft met een uitspraak van 14 januari 2026, 25/6228 en 25/7463, een verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
4. De voorzieningenrechter is bevoegd om op verzoek een voorlopige voorziening te treffen als is voldaan aan de voorwaarde dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.
4.1.
In deze zaak is voldoende gebleken van een actueel spoedeisend belang. Verzoeker heeft dat belang zo toegelicht dat er sprake is van een dreigende uithuiszetting in verband met een huurachterstand vanaf september 2025 en heeft daartoe een dagvaarding overgelegd voor de zitting bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van morgen, 11 maart 2026.
4.2.
Maar alleen een actueel spoedeisend belang is niet voldoende om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter moet alle betrokken belangen afwegen bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Daarbij is ook van belang of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld niet in stand zal blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die hoofdzaak.
4.3.
In dit geval is er een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de uitspraak van de rechtbank van 14 januari 2026 niet in stand blijft. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
De hier te beoordelen periode loopt van 1 april 2025 tot en met 19 mei 2025. Volgens het college heeft verzoeker over deze periode de inlichtingenverplichting geschonden en kan als gevolg daarvan het recht op bijstand niet vastgesteld worden. Het college stelt dat sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting, omdat verzoeker verschillende ondernemingen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) op zijn naam heeft staan, hij op 13 mei 2025 een nieuwe onderneming in het handelsregister van de KvK heeft ingeschreven, hij voor zijn ondernemingen op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en hij daaruit een inkomen heeft genoten. Omdat verzoeker geen inzicht heeft gegeven in de aard en omvang van die activiteiten en de inkomsten, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
4.5.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, verzoeker gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.
4.6.
De vraag is of het op naam hebben of zetten van bedrijven in het handelsregister van de KvK een schending van de inlichtingenverplichting in de te beoordelen periode oplevert. Daarbij is van belang dat de meeste ondernemingen van verzoeker ruim voor die periode zijn opgericht en al bij het college bekend waren. Verzoeker heeft daarnaast toegelicht dat hij de op 13 mei 2025 ingeschreven onderneming bij een aanvraag om een Bbz-uitkering wel zelf bij het college heeft gemeld. Deze vraag kan echter in het midden blijven. Met het college is ter zitting besproken dat de enkele registratie van een of meerdere ondernemingen in de KvK nog niet betekent dat daarmee ook aannemelijk is gemaakt dat verzoeker in te de beoordelen periode op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht dan wel in verband daarmee inkomsten heeft genoten waardoor verzoeker geen of minder recht op bijstand heeft, althans het recht niet kan worden vastgesteld. [1] Het college heeft ter zitting niet kunnen toelichten op grond van welke feiten en omstandigheden in de te beoordelen periode aannemelijk is dat er sprake is geweest van inkomsten dan wel van op geld waardeerbare activiteiten. Het dossier geeft er ook geen blijk van dat het college hiernaar onderzoek heeft gedaan. De feiten en omstandigheden die in de bestreden besluitvorming aan de intrekking ten grondslag zijn gelegd dateren van ruime tijd voor de te beoordelen periode. Als er al sprake is van schending van de inlichtingenverplichting heeft het college dus nog niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.7.
Aangezien verder niet is gebleken van in aanmerking te nemen inkomen of vermogen en gezien de reële en urgente dreiging van uithuiszetting heeft de voorzieningenrechter aanleiding gezien om een voorlopige voorziening te treffen zoals weergegeven onder het dictum.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzieningenrechter
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) E.C.E. Marechal
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Vergelijk in dit verband de uitspraken van 8 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3302 en van 26 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2565.