ECLI:NL:CRVB:2026:284

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/3115 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 34 PWArt. 54 PWArt. 58 PWArt. 475b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over gouden sieraden

Appellante ontvangt sinds 2014 bijstand en werd onderzocht nadat bleek dat zij na inbraken in haar woning aangifte deed van diefstal van waardevolle gouden sieraden. Het college stelde vast dat zij niet had gemeld dat zij beschikte over deze sieraden, waardoor haar vermogen boven de vermogensgrens lag. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet over de sieraden kon beschikken omdat deze eigendom waren van haar moeder en dochters. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet over de sieraden kon beschikken, mede omdat zij de sieraden droeg, aanschaft en als haar eigendom claimde bij verzekeraars.

Verder stelde appellante dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege de financiële en psychische gevolgen. De Raad vond dat het college de belangenafweging juist had gemaakt en dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat de terugvordering onevenredig was.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/3115 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 september 2023, 23/245 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)
Datum uitspraak: 3 maart 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de vraag of het college terecht de bijstand van appellante heeft ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand heeft teruggevorderd. Volgens het college heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden door niet te melden dat zij de beschikking had over waardevolle gouden sieraden en door niet te melden dat zij verschillende schade-uitkeringen naar aanleiding van inbraak en diefstal in haar woning heeft ontvangen. Als gevolg daarvan beschikte appellante over een vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens. Appellante stelt dat zij niet over de sieraden kon beschikken. Zij doet ook een beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien. Net als de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat het college de bijstand terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Appellante krijgt dus geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Düsünceli, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Met een brief van 13 september 2024 (regiebrief) heeft de Raad partijen voorgehouden hoe hij de zaak vooralsnog ziet, appellante de mogelijkheid geboden om haar standpunt van nadere onderbouwing te voorzien en, als appellante dat niet zou kunnen of willen, om uitspraak te doen zonder zitting. Namens appellante heeft mr. Düsünceli geantwoord op zitting te willen worden gehoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 december 2025. Voor appellante is mr. Düsünceli verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Yesildag.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt bijstand sinds 1 mei 2014, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder en sinds 25 oktober 2016 naar de norm voor een alleenstaande. Haar vermogen is bij aanvang van de bijstand vastgesteld op een negatief bedrag. Zij heeft zes kinderen, waarvan de jongste dochter ten tijde van belang bij appellante in huis woonde.
1.2.
Naar aanleiding van informatie van de politie waaruit blijkt dat appellante na een inbraak in haar woning in mei 2021 aangifte heeft gedaan van diefstal van verschillende gouden sieraden en merkartikelen, heeft een sociaal rechercheur van Team Werk en Handhaving van de gemeente ‘s-Hertogenbosch een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is informatie opgevraagd bij de politie, bij verzekeringsmaatschappijen Achmea (X) en Nationale Nederlanden (Y) en bij appellante zelf. Op 14 januari 2022 en 25 mei 2022 heeft appellante bij de sociale recherche een verklaring afgelegd. Een van de dochters van appellante tolkte voor haar. De onderzoeksresultaten zijn vastgelegd in een rapport van 14 juni 2022. Samengevat en voor zover van belang is uit het onderzoek het volgende gebleken.
1.2.1.
Op 16 september 2018 is ingebroken in de woning van appellante. Daarvan heeft appellante aangifte gedaan. Bij verzekeringsmaatschappij X is onder meer het volgende als gestolen opgegeven: diverse (gouden) sieraden ter waarde van € 10.130,-. Verzekeringsmaatschappij X heeft voor de sieraden het gemaximeerde bedrag van € 5.000,- uitgekeerd. De totale schade-uitkering bedroeg € 15.020,-.
1.2.2.
Op 29 mei 2021 is nogmaals ingebroken in de woning van appellante. Ook daarvan heeft appellante aangifte gedaan. Bij verzekeringsmaatschappij Y is het volgende als gestolen opgegeven: diverse merkartikelen, een gouden riem ter waarde van € 9.900,- (aankoopdatum 15 februari 2019), twee gouden armbanden van totaal € 2.000,- en € 2.000,- contant geld. De merkartikelen waren van haar jongste dochter. De verzekeringsmaatschappij heeft op 14 oktober 2021 een bedrag van in totaal € 24.944,- uitgekeerd aan appellante. Van dat bedrag was € 9.900,- voor de gestolen gouden riem en € 500,- voor de gestolen gouden armbanden, totaal € 10.400,-.
1.2.3.
Verder is gebleken dat appellante vóór aanvang van de bijstand beschikte over een gouden riem met een (geschatte) waarde van € 4.000,-, welke ook is gestolen tijdens de inbraak op 16 september 2018. Deze riem is destijds niet als gestolen opgegeven bij de politie of de verzekeraar maar appellante heeft dit na de inbraak van 29 mei 2021 aangegeven bij verzekeringsmaatschappij Y. Van de riem is ook geen aankoopbon aanwezig.
1.3.
Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om met een besluit van 6 juli 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 december 2022 (bestreden besluit), de bijstand van appellante in te trekken over de periodes van 25 oktober 2016 tot 15 september 2018, 15 februari 2019 tot en met 28 mei 2021 en met ingang van 14 oktober 2021, en de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Met het besluit van 6 juli 2022 is de hoogte van de terugvordering vastgesteld op € 72.882,87. Met het bestreden besluit is de hoogte van de terugvordering over het jaar 2020 verlaagd tot € 14.432,69 in verband met een al eerder genomen terugvorderingsbesluit over dat jaar. Over de overige jaren is de terugvordering niet gewijzigd. De totale terugvordering bedraagt daardoor € 71.378,87. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij niet heeft gemeld dat zij beschikte over vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens waardoor zij geen recht op bijstand had. Bij het vaststellen van de hoogte van de terugvordering heeft het college meegewogen dat een terugvordering bij overschrijding van de vermogensgrens niet mag leiden tot uitkomsten die voor de betrokkene onevenredig zijn vanwege het reparatoire karakter van de terugvordering. Omdat in dit geval volgens het college niet alle benodigde gegevens (zoals aankoopbonnen) of informatie (zoals hoe appellante de aankoop van sieraden heeft betaald van een bijstandsuitkering) voorhanden zijn of niet verifieerbaar zijn, is niet van (een deel van) de terugvordering afgezien.
1.4.
Appellante ontvangt inmiddels weer bijstand.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over intrekking en terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periodes van 25 oktober 2016 tot 15 september 2018, 15 februari 2019 tot en met 28 mei 2021 en van 14 oktober 2021 tot en met 6 juli 2022 (te beoordelen periodes).
4.3.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht appellante gedurende de te beoordelen periodes de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periodes niet kan worden vastgesteld.
Omvang van het geschil
4.4.
Het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of de gouden sieraden tot het vermogen van appellante behoren en dus of zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen melding te maken bij het college en de vraag of sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
4.5.
Zoals ter zitting is besproken is de omvang van de terugvordering in verhouding tot de vermogensoverschrijding(en) daarmee niet in geschil, net als de door het college vastgestelde waarde van de gouden sieraden of het feit dat die sieraden zich in de woning van appellante bevonden.
Appellante heeft de inlichtingenverplichting geschonden
4.6.
Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat de sieraden niet haar eigendom waren zodat zij niet kon beschikken over de gouden sieraden. Die sieraden behoorden niet aan haar, maar aan haar moeder en dochters toe. Zij bewaarde het goud alleen maar totdat haar dochters zouden trouwen. Zij mocht de sieraden ook niet dragen zonder toestemming van haar dochters. Appellante heeft sommige sieraden weliswaar aangekocht, maar dat was op verzoek van, ten behoeve van en met het geld van haar dochters. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.6.1.
Onder vermogen wordt verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Dit volgt uit artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW. De Raad begrijpt de beroepsgrond van appellante zo, dat zij stelt dat zij niet over de gouden sieraden kon beschikken. De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk te gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.6.2.
Indien de betrokkene in het bezit is van sieraden is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. [2] Appellante is daarin niet geslaagd. Daarvoor is het volgende van belang.
4.6.3.
Appellante heeft tegenover medewerkers van verzekeringsmaatschappijen X en Y verklaard dat de sieraden (voornamelijk) aan haar toebehoorden. In een e-mail van verzekeringsmaatschappij X is gevraagd aan wie de sieraden toebehoorden en daarop is door een dochter van appellante het volgende geantwoord: “De sieraden zijn van mijn moeder. Twee ringen zijn van mijn zusje en dat zijn twee ringen van [Z] als het goed is. De rest is van mijn moeder.” In het rapport van verzekeringsmaatschappij Y staat dat appellante op de vraag wie de gouden riem van € 9.900,- heeft gekocht het volgende heeft geantwoord: “Ik heb die riem zelf gekocht in Marokko. Bij een vorige inbraak was er namelijk een riem gestolen, vandaar dat ik een nieuwe riem heb gekocht in Marokko”. Ook uit navraag bij de Marokkaanse juwelier waar de gouden riem van € 9.900,- is gekocht blijkt dat appellante de riem heeft gekocht.
4.6.4.
Tijdens het gesprek met de sociaal rechercheur op 14 januari 2022 heeft appellante – samengevat en voor zover van belang – over de inbraak op 29 mei 2021 verklaard dat de gouden riem van € 9.900,- op naam van haar moeder stond, maar dat haar dochter de riem heeft gekregen toen zij trouwde in 2018. Appellante heeft in datzelfde gesprek echter ook verklaard dat de riem officieel van haarzelf was en dat het goud binnen de familie als gezamenlijk werd beschouwd. Over de twee gouden armbanden van totaal € 2.000,- heeft appellante verklaard dat die aan haar toebehoorden. Tijdens het gesprek met de sociaal rechercheur op 25 mei 2022 heeft appellante – samengevat en voor zover van belang – over de inbraak op 16 september 2018 verklaard dat sommige sieraden van haar dochters waren, dat de Marokkaanse sieraden van haar en haar dochters gezamenlijk waren, maar dat zij zelf alles regelde bij de juwelier waardoor de sieraden ook op haar naam stonden.
4.6.5.
Uit het dossier blijkt verder dat de sieraden zich in de woning van appellante bevonden, dat zij die sieraden heeft gedragen, dat zij in ieder geval een deel van de sieraden zelf heeft aangeschaft en dat zij de gouden sieraden als haar eigendom heeft geclaimd bij verzekeringsmaatschappijen X en Y. Appellante heeft bovendien in de aangifte van diefstal op 29 mei 2021 verklaard dat de gestolen gouden sieraden haar eigendom waren. Appellante heeft daar bijvoorbeeld niet bij vermeld dat de sieraden ook deels aan haar moeder of dochters toebehoorden.
4.6.6.
Appellante heeft haar stelling dat zij niet over de sieraden kon beschikken niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Gelet op wat onder 4.6 tot en met 4.6.5 is overwogen is aannemelijk dat appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de gouden sieraden waar het hier om gaat. Zij had de sieraden ‘onder zich’, in die zin dat ze zich in haar woning bevonden en dus binnen haar feitelijke beschikkingsmacht. Dat de gouden sieraden door appellante en haar dochters als gezamenlijk werd beschouwd, of dat appellante de sieraden slechts ‘bewaarde’ totdat haar dochters zouden trouwen, doet er niet aan af dat appellante over de sieraden kon beschikken. De waarde van de sieraden ligt boven de van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen, als bedoeld in artikel 34, derde lid, aanhef en onder a van de PW. Door het college niet te informeren over het feit dat zij de beschikking had over deze sieraden heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden.
4.7.
Wat is overwogen onder 4.6.6 leidt tot de conclusie dat appellante gedurende de te beoordelen periodes beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over meer vermogen dan de van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen. Appellante had daarom geen recht op bijstand over die periodes. Gelet op de schending van de inlichtingenverplichting was het college op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin van de PW verplicht de bijstand van appellante over die periodes in te trekken.
Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien
4.8.
Appellante heeft verder aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellante is al zwaar getroffen door de inbraken en de psychische gevolgen daarvan. Daar bovenop krijgt zij ook nog te kampen met een fors terugvorderingsbesluit en beëindiging van de bijstand. Zij is een alleenstaande moeder die leeft van een bijstandsuitkering en zij kan de maandelijkse inhouding van 5% van de bijstandsnorm ook niet missen. Zij heeft hierdoor psychische klachten ontwikkeld. Er is dan ook sprake van onaanvaardbare financiële, psychische en sociale gevolgen door de terugvordering.
4.8.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.8.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [3] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.8.3.
In het bestreden besluit heeft het college met deze nieuwe rechtspraak nog geen rekening kunnen houden. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat de nieuwe rechtspraak geen aanleiding geeft voor een wijziging van de besluitvorming omdat een belangenafweging tot dezelfde uitkomst zou hebben geleid. Appellante heeft meermaals gouden sieraden aangeschaft, er is meermaals bij haar ingebroken en zij heeft daarvoor schade-uitkeringen ontvangen, maar zij heeft van deze feiten geen melding gedaan bij het college. Er wordt 5% van de bijstandsnorm ingehouden. Het college kan zich voorstellen dat dat op appellante drukt, maar het kan ook niet zo zijn dat een intrekking en terugvordering in een situatie als deze geen financiële gevolgen heeft. Er is niet gebleken dat sprake is van onnodige nadelige financiële gevolgen van de terugvordering.
4.8.4.
Het college heeft wat appellante heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen is geen sprake. In dat verband is van betekenis dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het college, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellante. De enkele stelling dat er door de terugvordering sprake is van financiële, sociale en/of psychische onaanvaardbare gevolgen kan niet leiden tot het oordeel dat het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Appellante heeft namelijk ook in hoger beroep geen gegevens overgelegd die haar standpunt over onaanvaardbare gevolgen onderbouwen. Zij heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor haar onevenredig zijn in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel, namelijk dat het college terugkrijgt wat appellante ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen.
4.8.5.
De Raad merkt daarbij nog op dat appellante – zoals ter zitting is besproken – bij de invordering van de terugvordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet geniet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zoals ook ter zitting is besproken ontstaat verder op grond van artikel 58, zevende lid, van de PW na tien jaar onder bepaalde omstandigheden de bevoegdheid voor het college om in afwijking van artikel 58, eerste lid, van de PW, te besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit over intrekking en terugvordering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Wolfrat en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S. Ploum

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a
Onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.
Artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b (zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2026)
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
Artikel 54, derde lid, eerste volzin
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, [...] heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, [...].
Artikel 58, zevende lid
In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien, indien de persoon van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd: a. gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; b. gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; c. gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost.
Artikel 58, achtste lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO3782.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1898.