Appellante ontvangt sinds 2014 bijstand en werd onderzocht nadat bleek dat zij na inbraken in haar woning aangifte deed van diefstal van waardevolle gouden sieraden. Het college stelde vast dat zij niet had gemeld dat zij beschikte over deze sieraden, waardoor haar vermogen boven de vermogensgrens lag. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet over de sieraden kon beschikken omdat deze eigendom waren van haar moeder en dochters. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet over de sieraden kon beschikken, mede omdat zij de sieraden droeg, aanschaft en als haar eigendom claimde bij verzekeraars.
Verder stelde appellante dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege de financiële en psychische gevolgen. De Raad vond dat het college de belangenafweging juist had gemaakt en dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat de terugvordering onevenredig was.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 maart 2026.