ECLI:NL:CRVB:2026:279

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
22/327 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Appellante was werkzaam als financieel administratief medewerker en meldde zich ziek met pijn- en psychische klachten. Het UWV kende haar per 16 maart 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, omdat zij voor 53,15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en vorderde een IVA-uitkering.

In hoger beroep werd een deskundige benoemd die aanvullende beperkingen vaststelde, maar geen urenbeperking. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante 47,37% arbeidsongeschikt was en nog geschikt voor enkele functies. Het UWV handhaafde het besluit. Appellante voerde aan dat zij recht had op een IVA-uitkering per een eerdere datum, maar dit werd niet gevolgd.

De Raad oordeelde dat het UWV het juiste besluit nam en dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was. De procedure duurde ruim vijf jaar, wat de redelijke termijn overschreed, zodat een schadevergoeding van € 2.000,- werd toegekend. De proceskosten van appellante werden grotendeels vergoed. Het hoger beroep werd afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.

Uitkomst: Het UWV heeft terecht een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend en appellante krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

22/327 WIA
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
22/327 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2021, 20/5982 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv appellante terecht per 16 maart 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering heeft toegekend. Volgens appellante was zij per die datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVAuitkering, maar een WGAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.H.J. aan de Stegge, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aan de Stegge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 mei 2023 ingediend, waarop appellante heeft gereageerd.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 28 maart 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aan de Stegge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De RooyBal.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en drs. M. Vervoort, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 8 november 2024 een rapport uitgebracht. Appellante heeft te kennen gegeven geen nadere opmerkingen te hebben naar aanleiding van het rapport. Het Uwv heeft naar aanleiding van het rapport nadere stukken ingediend, waarop appellante heeft gereageerd.
Het onderzoek ter zitting is vervolgens voortgezet op 11 februari 2026. Appellante is wederom verschenen, bijgestaan door mr. Aan de Stegge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De RooyBal.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als financieel administratief medewerker voor gemiddeld 35,86 uur per week. Op 19 maart 2018 heeft zij zich ziekgemeld met pijnklachten en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 februari 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 27 februari 2020 heeft het Uwv appellante met ingang van 16 maart 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat zij met ingang van die datum 53,15% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 oktober 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 22 september 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 5 oktober 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De procedure bij de Raad
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Volgens appellante is zij volledig arbeidsongeschikt, omdat zij geen benutbare mogelijkheden heeft. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar het door haar in beroep ingebrachte expertiserapport. Verder heeft zij betoogd dat het Uwv haar klachten niet juist heeft vertaald naar beperkingen in de FML. Zo moeten er op diverse items in de FML aanvullende beperkingen worden aangenomen, waaronder een urenbeperking. Appellante heeft benadrukt dat zij weliswaar in het kader van haar reintegratie werkzaamheden heeft uitgevoerd, maar dat zij slechts maximaal drie uur per dag werkzaam was. Bovendien is zij met enige regelmaat uitgevallen. Zij heeft voorts betoogd dat herstel van de fysieke, pijn- en psychische klachten niet mogelijk is gebleken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, [1] heeft appellante de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. Appellante acht zich, gelet op het complex aan klachten waarmee zij te kampen heeft, niet geschikt de geselecteerde functies te verrichten.
3.2.
Het Uwv heeft in hoger beroep, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, appellante alsnog opgeroepen voor een spreekuur van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat spreekuur heeft op 9 mei 2023 plaatsgevonden. In het naar aanleiding daarvan opgestelde rapport is geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat voor wijziging van het medisch oordeel. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
3.3.
In reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 mei 2023 heeft appellante – voor zover nog van belang – naar voren gebracht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep er ten onrechte aan voorbijgaat dat de fysieke en psychische klachten waarmee zij nu heeft te kampen ten tijde van de datum in geding al aanwezig waren. Appellante heeft de Raad nogmaals verzocht een deskundige te benoemen.
3.4.
Op grond van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en de beschikbare medische gegevens, is bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid en volledigheid van de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 11 februari 2020. Daarom heeft de Raad na de zitting van 28 maart 2024 het onderzoek heropend en drs. Vervoort als deskundige benoemd. In haar rapport van 8 november 2024 is deze deskundige tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsarts van het Uwv onvoldoende beperkingen heeft aangenomen. Volgens de deskundige moet er ook nog een beperking worden aangenomen op de items 2.7 (eigen gevoelens uiten) en 2.12.1/2 (klant en patiëntcontact). Zij heeft geen medische reden gezien voor het aannemen van een urenbeperking.
3.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 11 december 2024 vermeld dat hij in het rapport van de deskundige drs. Vervoort aanleiding ziet zijn standpunt te wijzigen. Hij heeft in een FML van 11 december 2024 de door de deskundige aangegeven (extra) beperkingen opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in een rapport van 3 februari 2025 – uitgaande van de FML van 21 december 2024 – tot de conclusie gekomen dat de belasting in de functies van administratief ondersteuner (SBCcode 315100) en technisch verkoper (SBCcode 315173) de belastbaarheid van appellante overschrijdt. Appellante wordt nog wel in staat geacht de functie van productiemedewerker industrie (SBCcode 111180) en productiemedewerker confectie, kleermaken (SBCcode 272042) te verrichten. Daarnaast wordt appellante in staat geacht de functies van wikkelaar (SBCcode 267053) en archiefmedewerker (SBCcode 553020) te vervullen. Als gevolg van de wijziging van de functieselectie door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is het mediaanloon gewijzigd vastgesteld, wat ertoe heeft geleid dat appellante alsnog 47,37% arbeidsongeschikt wordt geacht. Gelet op het feit dat appellante tot en met 15 maart 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend en aansluitend een WGAvervolguitkering heeft ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, wijzigt de WIAuitkering van appellante als gevolg van dit lager vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage niet. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien de toekenning van de loongerelateerde uitkering per einde wachttijd voor onjuist te houden.
3.6.
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij met ingang van 16 maart 2020 recht heeft op een IVAuitkering. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante erop gewezen dat het Uwv bij besluit van 22 april 2025 haar met ingang van 18 juli 2024 een IVAuitkering heeft toegekend. Volgens appellante vormt de toekenning van de IVAuitkering voldoende aanleiding voor ernstige twijfel aan de (arbeidsdeskundige) reactie van het Uwv naar aanleiding van het rapport van de deskundige. De omstandigheid dat appellante – ondanks de aangescherpte belastbaarheid – door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog geschikt wordt geacht voor de functies wikkelaar, productiemedewerker industrie en productiemedewerker confectie, kleermaken is volgens haar in strijd met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 oktober 2020 en met het rapport van de arbeidsdeskundige behorende bij de toekenning van de IVAuitkering. In dit verband heeft appellante gesteld dat de functies die nu aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag zijn gelegd, eerder zijn vervallen. Ook heeft appellante aangevoerd dat zij niet slechter mag worden van de (bezwaar)procedure, zodat de wijziging van het mediaanloon niet met terugwerkende kracht mag worden gerealiseerd
.Appellante heeft ook benadrukt dat zij het Uwv al eerder had gemeld dat haar klachten per 28 oktober 2021 zijn toegenomen.
3.7.
Het Uwv heeft naar aanleiding van de reactie van appellante te kennen gegeven het standpunt van appellante, dat haar per een eerdere datum dan 18 juli 2024 een IVAuitkering zou moeten worden toegekend, niet wordt gevolgd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het Uwv verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 maart 2025, waarin deze arts uiteen heeft gezet dat er gelet op de nieuwe medische informatie van 18 juli 2024 en het door de deskundige verrichte onderzoek aanleiding is gezien voor een toename van beperkingen per 18 juli 2024. Anders dan appellante heeft gesteld, zijn de eerder geselecteerde passende functies niet vervallen. Het Uwv heeft benadrukt dat per einde wachttijd voldoende functies resteren om de WIA-schatting op te baseren. Van een verslechtering van haar positie door haar bezwaar is volgens het Uwv geen sprake.

Het oordeel van de Raad

4.1.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 16 maart 2020 een loongerelateerde WGAuitkering heeft toegekend, omdat appellante gedeeltelijk arbeidsongeschikt was.
4.2.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.3.
Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De beschikbare gegevens van de behandelaars van appellante, van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts drs. H. Batelaan, en ook de informatie van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn kenbaar bij de beoordeling betrokken. Daarbij is van belang dat de deskundige appellante heeft gezien op een spreekuur, een uitgebreide anamnese heeft afgenomen en in het rapport de bevindingen nauwkeurig heeft weergegeven. De conclusies waartoe de deskundige is gekomen, zijn inzichtelijk en consistent en vinden hun onderbouwing in de medische stukken. Op basis van deze gegevens heeft de deskundige inzichtelijk haar conclusies uiteengezet en onderbouwd. Appellante heeft ook te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben over het rapport. De aanvullende beperkingen die de deskundige in het rapport heeft vermeld, zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgenomen in de FML van 11 december 2024.
4.4.
Met de aangepaste FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellante nog 47,35% arbeidsongeschikt is op 16 maart 2020. Aan deze beoordeling liggen de functies wikkelaar (SBC-code 267053), productiemedewerker industrie (SBCcode 111180) en productiemedewerker confectie, kleermaken (SBC-code 272042) ten grondslag.
4.5.
Anders dan appellante heeft betoogd, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 oktober 2020 niet geoordeeld dat de functies niet geschikt waren voor appellante. Uit rubriek 7 van dit rapport blijkt slechts dat deze functies productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en productiemedewerker confectie, kleermaken (SBCcode 272042) destijds niet bepalend zijn geweest voor vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Uit het rapport blijkt bovendien dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van mening is dat alle functies passen bij de krachten en bekwaamheden van appellante en dat geen sprake is van een eis waaraan appellante niet kan voldoen. De functie van wikkelaar (SBC-code 267053) is aan de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet ten grondslag gelegd. Het is echter vaste rechtspraak van de Raad dat bij duiding van functies als het gaat om een schatting in aansluiting op het einde van de wachttijd in elke fase van de procedure toelaatbaar is. [2] Bovendien heeft het Uwv de verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage niet met terugwerkende kracht gerealiseerd. Appellante heeft in de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 maart 2022 een loongerelateerde WGAuitkering ontvangen. Vanaf 15 maart 2022 heeft zij een WGAvervolguitkering ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, zodat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 47,37% ook geen gevolgen heeft voor die uitkering.
4.6.
Appellante wordt ook niet gevolgd in haar standpunt dat het feit dat er meer beperkingen zijn aangenomen naar aanleiding van het rapport van de deskundige logischerwijs moet leiden tot het laten vervallen van functies. De enkele omstandigheid dat in de FML meer beperkingen zijn opgenomen betekent immers niet dat daarmee de functies niet langer passend zouden zijn voor appellante. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 februari 2025, uitgaande van de juistheid van de FML van 11 december 2024, voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat de geselecteerde functies op de datum in geding, ook met de extra aangenomen beperkingen, passend zijn voor appellante. Uit het rapport en her resultaat functiebeoordeling blijkt eveneens waarom de functie van wikkelaar, ondanks het feit dat deze niet eerder aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag is gelegd, passend is voor appellante. Appellante heeft ook niet gesteld dat en waarom de functie niet passend zou zijn.
4.7.
Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv appellante terecht met ingang van 16 maart 2020 een loongerelateerdeWGA-uitkering heeft toegekend en zij niet per die datum in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.
4.8.
Het betoog van appellante dat voor de beoordelingsdatum niet moet worden gekeken naar het moment van de aanvraag, maar naar het moment waarop de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid betrekking heeft, slaagt niet. In deze procedure ligt (uitsluitend) de beoordeling per einde wachttijd voor. Of appellante per eerdere datum dan 18 juli 2024 recht heeft op een IVAuitkering kan aan de orde worden gesteld in de bezwaarprocedure tegen het eerdergenoemde besluit van 22 april 2025, waarbij appellante naar aanleiding van haar melding dat zij toegenomen arbeidsongeschikt is een IVAuitkering per 18 juli 2024 is toegekend.
Het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [3]
5.2.
Vanaf de ontvangst op 9 april 2020 van het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 27 februari 2020 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en (afgerond naar boven) elf maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met één jaar en elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-.
5.3.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar vanaf de ontvangst van het bezwaar op 9 april 2020 tot de beslissing op bezwaar van 8 oktober 2020 (bestreden besluit 1) afgerond naar boven zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is geschonden. De Raad zal de Staat daarom veroordelen tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld, omdat ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb zal de schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb daarom worden gepasseerd. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van gronden.
6.1.
De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 4.203,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, tweemaal 0,5 punt voor de nadere zitting en driemaal 0,5 punt voor het indienen van een reactie, met een waarde per punt van € 934,-). Ook de kosten die appellante heeft gemaakt voor het indienen van het rapport van drs. Batelaan, een bedrag van € 2.783,-, komen voor vergoeding in aanmerking. De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 8.854,-.
6.2.
Er bestaat aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
6.3.
Daarnaast dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 8.854,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van appellante tot een bedrag van € 467,-
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9746 en van 22 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI5946.
3.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.