Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake WAJONG, maar trok dit beroep in nadat het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar aan zijn bezwaren tegemoetkwam. De Raad behandelde de zaak zonder zitting en besloot het UWV te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
Daarnaast kende de Raad appellant een schadevergoeding toe van €1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij rekening werd gehouden met een periode van uitstel voor het aanleveren van medische informatie. De totale procedure duurde ruim zeven jaar, wat de redelijke termijn aanzienlijk overschreed.
Verder werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten van €6.002,- en de Staat tot vergoeding van €467,- aan proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding. Ook werd het griffierecht van €184,- vergoed. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 maart 2026.