ECLI:NL:CRVB:2026:271

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
22/2236 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:88 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WAJONG-zaak

Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake WAJONG, maar trok dit beroep in nadat het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar aan zijn bezwaren tegemoetkwam. De Raad behandelde de zaak zonder zitting en besloot het UWV te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

Daarnaast kende de Raad appellant een schadevergoeding toe van €1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij rekening werd gehouden met een periode van uitstel voor het aanleveren van medische informatie. De totale procedure duurde ruim zeven jaar, wat de redelijke termijn aanzienlijk overschreed.

Verder werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten van €6.002,- en de Staat tot vergoeding van €467,- aan proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding. Ook werd het griffierecht van €184,- vergoed. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 maart 2026.

Uitkomst: Het UWV en de Staat werden veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
22/2236 WAJONG
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juni 2022, 20/3687 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 5 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Steenbergen-van Straten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juli 2024. Partijen hebben via videobellen deelgenomen aan de zitting. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Steenbergen-van Straten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.
De Raad heeft het onderzoek heropend en psychiater dr. J.A. Bouwens als deskundige benoemd. Dr. Bouwens heeft op 26 juni 2025 rapport uitgebracht. Appellant heeft zijn zienswijze op het deskundigenrapport gegeven.
Het Uwv heeft op 7 november 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellant heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door hem geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Appellant heeft voorts verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 7 november 2025 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente
Het verzoek het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. [1]
Schadevergoeding in verband met overschrijding redelijke termijn
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. [2]
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 6 juli 2018 tot 7 november 2025, de datum van bekendmaking van het tegemoetkomend besluit, heeft de procedure zeven jaar en (naar boven afgerond) vijf maanden geduurd. Er is dan in beginsel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met drie jaar en vijf maanden. In deze zaak doen zich echter bijzondere omstandigheden voor die aanleiding geven tot verlenging van de redelijke termijn. Appellant heeft op 4 september 2018 verzocht om uitstel voor het indienen van medische informatie in verband met een te volgen behandeling. Appellant heeft op 21 oktober 2020 medische informatie in de bezwaarprocedure ingebracht. Het tijdsverloop van (afgerond) twee jaar en twee maanden tussen het uitstelverzoek op 4 september 2018 tot het indienen van de medische informatie op 21 oktober 2020 komt voor rekening van appellant. Rekening houdende met deze periode is de redelijke termijn dus met een jaar en drie maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.500,-. De Raad stelt vast dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.500,-.
Proceskosten
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-); € 2.335,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een reactie, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-). In totaal bedraagt de door het Uwv aan appellant te betalen proceskostenvergoeding € 6.002,-.
Er bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € ‭467,- (1 punt voor het verzoekschrift met een wegingsfactor van 0,5, met een waarde per punt van € 934,-).‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor vermeld;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 6.002,-;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.