ECLI:NL:CRVB:2026:266

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
24/2250 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 ParticipatiewetArt. 44 ParticipatiewetArt. 68a Algemene bijstandswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten

Appellante vroeg bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten met terugwerkende kracht vanaf 7 mei 2020. Het college kende bijstand toe vanaf 1 november 2021 en wees eerdere perioden af wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. Appellante stelde dat zij pas na een uitspraak van de Raad in 2022 wist dat zij recht had op bijstand en dat dit bijzondere omstandigheden vormde voor een eerdere ingangsdatum.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante al vóór 15 november 2022 een aanvraag had kunnen doen en dat het feit dat zij die aanvraag niet kansrijk achtte vanwege lopende jurisprudentie geen bijzondere omstandigheid is. Daarom is het hoger beroep ongegrond en blijft de afwijzing voor de periode vóór 1 november 2021 gehandhaafd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht vóór 1 november 2021 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2250 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 augustus 2024, 23/1666 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 3 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat om een aanvraag om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht. Het college heeft de bijzondere bijstand met één jaar terugwerkende kracht toegewezen en voor het overige afgewezen. Appellante is van mening dat er bijzondere omstandigheden zijn om de bijzondere bijstand nog eerder te laten ingaan, omdat haar pas na een uitspraak van de Raad in 2022 duidelijk werd dat zij al eerder recht had op bijzondere bijstand. De Raad volgt appellante niet in dat standpunt omdat zij eerder een aanvraag had kunnen indienen om een oordeel te krijgen over haar recht op bijzondere bijstand.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Bou-Asrar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 december 2025. Voor appellante is mr. Bou-Asrar verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.F. Verhagen en I.M. van Dijk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van 12 april 2022 [1] op 15 november 2022 een aanvraag ingediend om aan haar met terugwerkende kracht bijzondere bijstand te verlenen voor haar kosten van bewindvoering.
1.2.
Met een besluit van 16 december 2022, gehandhaafd na bezwaar met een besluit van 9 maart 2023 (bestreden besluit), heeft het college aan appellante bijzondere bijstand toegekend vanaf 1 november 2021. Voor de periode daarvoor heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat er geen bijzondere omstandigheden zijn voor het toekennen van bijzondere bijstand met verder terugwerkende kracht dan tot 1 november 2021.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de periode voor 1 november 2021 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
In geschil is uitsluitend de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht over de periode van 7 mei 2020 tot 1 november 2021 (periode in geding) toe te kennen.
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat die bijzondere omstandigheden er zijn omdat pas uit de uitspraak van de Raad van 12 april 2022 is gebleken dat de Groningse Kredietbank geen voorliggende voorziening is in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet (PW) en dus niet in de weg staat aan toekenning van bijzondere bijstand. Aangezien is gebleken dat het beleid van het college op dat vlak ondeugdelijk was, had appellante in de periode in geding wel recht op bijzondere bijstand. Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.2.1.
Voor kosten die zijn ontstaan voor de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet). [2]
4.2.2.
Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. Vergelijk eerdere rechtspraak. [3] Deze situaties doen zich hier niet voor. Appellante had al voor 15 november 2022 een aanvraag om bijzondere bijstand kunnen doen. Dat zij die aanvraag eerder niet kansrijk achtte omdat de Raad zich nog niet gebogen had over het onderwerp van de Groningse Kredietbank als voorliggende voorziening maakt dat niet anders.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van bijzondere bijstand over de periode in geding in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) L. van Beelen

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:638.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2172.