ECLI:NL:CRVB:2026:259

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
25/349 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens gewijzigde beslissing UWV

Appellante, een B.V., had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een WIA-zaak. Het UWV diende een verweerschrift in en nam op 14 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad stelde vast dat het UWV reeds door de rechtbank was veroordeeld tot vergoeding van de kosten van beroep en dat het UWV in de gewijzigde beslissing ook de kosten in de bezwaarfase had toegekend. De Raad hoefde daarom alleen nog te oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante, begroot op € 934,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 579,-. De zaak werd zonder zitting behandeld omdat partijen geen zitting wensten.

De uitspraak werd gedaan door T. Dompeling namens de Centrale Raad van Beroep op 5 maart 2026.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- en het griffierecht van € 579,- na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/349 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2025, 23/3639 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[naam] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.A.M. Vos, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft nadere stukken ingediend en op 14 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 januari 2026 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Omdat het Uwv door de rechtbank al is veroordeeld tot vergoeding van de kosten van beroep en het Uwv in het besluit van 14 januari 2026 al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad alleen nog oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-).
Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 934,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) M.G.J. van Eck