ECLI:NL:CRVB:2026:20

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/2840 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering van te veel ontvangen toeslag op grond van de Toeslagenwet en verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. De zaak betreft de terugvordering van een bedrag van € 6.150,54 dat appellante te veel heeft ontvangen aan toeslag op grond van de Toeslagenwet over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017. Appellante ontving sinds 30 april 2021 een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en een toeslag op basis van de Toeslagenwet. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante over de genoemde periode te veel toeslag heeft ontvangen, wat leidde tot de terugvordering. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij vorderingen op het Uwv heeft die in mindering moeten worden gebracht op het terugvorderingsbedrag, en heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente en immateriële schadevergoeding. De Raad heeft de argumenten van appellante niet gevolgd en geoordeeld dat het Uwv terecht het bedrag van € 6.150,54 heeft teruggevorderd. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat het Uwv de aflossingscapaciteit van appellante correct had vastgesteld en dat de terugvordering op juiste wijze was berekend. De Raad heeft het hoger beroep van appellante afgewezen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat appellante niet had aangetoond dat zij schade had geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit. De uitspraak van de rechtbank is bevestigd, en appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 november 2024, 19/3633 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 te veel ontvangen toeslag op grond van de Toeslagenwet, een bedrag van € 6.150,54, van appellante heeft ingevorderd. Appellante heeft aangevoerd dat zij diverse vorderingen heeft op het Uwv die in mindering moeten worden gebracht op dit bedrag. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht een bedrag van € 6.150,54 van appellante heeft ingevorderd.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld, nadere stukken ingediend en verzocht om vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift en nader stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 november 2025. Appellante heeft via een online beeldverbinding aan de zitting deelgenomen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 30 april 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In aanvulling op deze uitkering ontvangt appellante een toeslag op grond van de Toeslagenwet naar de norm voor een alleenstaande. Aanvankelijk was de WIA-uitkering die appellante ontving een loongerelateerde uitkering. Per 12 november 2021 is de loongerelateerde uitkering omgezet in een vervolguitkering.
1.2.
De Belastingdienst heeft op 25 oktober 2018 aan het Uwv een inkomstenopgave toegezonden waaruit blijkt dat appellante over de periode 1 januari tot en met 31 december 2017 als zelfstandige een belastbare winst heeft gehad van € 9.181,-. In deze gegevens heeft het Uwv aanleiding gezien om de toeslag over de periode 1 januari tot en met 31 december 2017 opnieuw te berekenen. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante over die periode te veel toeslag heeft ontvangen en in het besluit van 29 oktober 2018 een bedrag van € 6.150,54 bruto van appellante teruggevorderd. In het besluit van 30 oktober 2018 heeft het Uwv een bedrag van € 6.039,73 van appellante ingevorderd. Appellante heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Op 15 januari 2019 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat het bedrag niet voor 1 januari 2019 is ontvangen en dat het bedrag daarom is verhoogd met € 110,81 aan loonheffing. Appellante moet een bedrag van € 6.150,54 terugbetalen. In twee afzonderlijke besluiten van 18 april 2019 heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze besluiten geen beroep ingesteld.
1.3.
In een besluit van 4 juni 2019 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat zij te veel WIA-uitkering en toeslag heeft ontvangen en dat zij een bedrag van € 6.679,27 moet terugbetalen. Ook heeft het Uwv in dit besluit medegedeeld dat elke maand een bedrag van € 200,- op de WIA-uitkering van appellante wordt ingehouden. In het besluit van 3 oktober 2019 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 juni 2019 gegrond verklaard. Het Uwv heeft het terugvorderingsbedrag met € 25,59 verlaagd vanwege een systeemfout. Het totale terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 6.653,68. Het gaat om een bedrag van € 6.150,54 aan te veel ontvangen toeslag over 2017 en om een bedrag van € 503,14 aan te veel ontvangen WIA-uitkering en toeslag over de periode 30 april 2012 tot en met 31 december 2013.
1.4.
In beroep heeft het Uwv een gewijzigde beslissing genomen op bezwaar. In het besluit van 16 januari 2020 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, vastgesteld dat appellante geen aflossingscapaciteit heeft en medegedeeld dat de al ingehouden bedragen van € 200,- per maand aan appellante worden terugbetaald. Verder heeft het Uwv besloten het door appellante betaalde griffierecht van € 47,- te vergoeden.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard voor zover het ziet op de terugvordering over de periode 30 april 2012 tot en met 31 december 2013, het besluit van 4 juni 2019 in zoverre herroepen, bepaald dat appellante over die periode niets meer aan het Uwv hoeft te betalen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het gedeeltelijk vernietigde bestreden besluit 1 en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv de aflossingscapaciteit van appellante op juiste wijze heeft vastgesteld op nihil en dat het Uwv inzichtelijk heeft gemaakt hoe de aflossingscapaciteit is berekend. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv gedeeltelijk aan appellante is tegemoetgekomen door de wettelijke rente en het nog openstaande bedrag van de vordering over de periode 30 april 2012 tot en met 31 december 2013 voor zijn rekening te nemen. Daarmee is deze vordering helemaal afgelost. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het Uwv aan appellante meer moet betalen. Het standpunt van appellante dat het in de brief van 20 juli 2015 genoemde bedrag van € 2.561,29 nooit met haar is verrekend en aan haar uitbetaald valt buiten de omvang van de procedure. Dat bedrag ziet namelijk op een andere periode dan waar het in deze zaak over gaat.
2.3.
Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv over het jaar 2017 terecht een bedrag van € 6.150,54 van appellante heeft teruggevorderd. Het Uwv heeft in de brief van 28 mei 2024 op inzichtelijke wijze uiteengezet op welke wijze de hoogte van de terugvordering is berekend. Het Uwv mocht bij het berekenen van de terugvordering uitgaan van de informatie van de Belastingdienst. Appellante heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de gegevens van de Belastingdienst onjuist zouden zijn. Ook heeft het Uwv inzichtelijk toegelicht dat niet meer toeslag van appellante is teruggevorderd dan wat zij in 2017 aan toeslag heeft ontvangen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de door haar aangevoerde bedragen niet in mindering heeft gebracht op de vordering die het Uwv op haar heeft. Appellante heeft aangevoerd dat zij nog vijf vorderingen heeft op het Uwv en dat het Uwv die bedragen in mindering moet brengen op het invorderingsbedrag. Het gaat om de bedragen € 1.400,- bruto, € 869,93 bruto, € 241,50 bruto, € 25,59 netto en € 2.561,29 bruto en de wettelijke rente. Ook heeft appellante verzocht om immateriële schadevergoeding.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de invordering over 2017 in stand heeft gelaten. Dit doet hij aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het standpunt van appellante dat het bedrag van € 2.561,29 nooit aan haar is uitbetaald en de verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 20 juni 2017 [1] buiten de omvang van deze procedure vallen. Dat geldt ook voor de door appellante gevorderde bedragen van € 241,50 en € 25,59. Deze bedragen en de uitspraak van de rechtbank hebben namelijk betrekking op de vordering over de periode 30 april 2012 tot en met 31 december 2013 en zien op een andere periode dan waar het in deze procedure over gaat. Deze vordering is in beroep volledig komen te vervallen en is door het Uwv afgeboekt. In deze procedure gaat het alleen nog om de invordering over 2017. Bovendien bevat de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland geen aanknopingspunten voor het standpunt van appellante dat de rechtbank is uitgegaan van een lager terugvorderingsbedrag en dat appellante daarom nog geld tegoed heeft van het Uwv. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat het Uwv de uitkering en toeslag over de periode 30 april 2012 tot en met 31 december 2013 terecht heeft herzien dan wel heeft ingetrokken en de onverschuldigde betaalde uitkering en toeslag heeft teruggevorderd. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en dat is door de Centrale Raad van Beroep bevestigd in de uitspraak van 20 juni 2018 [2] .
5.3.
De door appellante gevorderde bedragen van € 1.400,- bruto en € 869,93 bruto hebben te maken met de terugbetalingsregeling van € 200,- per maand die in bestreden besluit 2 is komen te vervallen. Het Uwv heeft in dit besluit toegezegd dat de al ingehouden bedragen van in totaal € 1.400,- aan appellante worden terugbetaald. In januari 2020 heeft het Uwv een bedrag van € 795,72 netto (€ 869,93 bruto) aan appellante betaald. Appellante heeft dit bedrag teruggestort en vervolgens heeft het Uwv het bedrag verrekend met een vordering op appellante. Daarnaast heeft het Uwv in februari 2025 naar aanleiding van de brief van appellante van december 2024 twee betalingen aan appellante gedaan. De eerste betaling is een bedrag van € 869,93 bruto (€ 795,72 netto) en de tweede betaling is een bedrag van € 530,37 bruto (€ 341,87 netto). Appellante heeft dit bevestigd. Hiermee is het volledige bedrag van € 1.400,- bruto aan appellante terugbetaald. Het standpunt van appellante dat het Uwv € 1.400,- netto op haar rekening had moeten storten wordt niet gevolgd. Het Uwv heeft terecht op de terugbetaling loonheffing ingehouden, waardoor appellante netto minder dan € 1.400,- heeft ontvangen op haar rekening.
Verzoek om immateriële schadevergoeding en wettelijke rente
5.4.
Appellante heeft tot slot verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente en om immateriële schadevergoeding. Uit 5.1 tot en met 5.3. volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat geen grond bestaat voor toekenning van wettelijke rente. Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Appellante heeft echter niet duidelijk gemaakt aan welk volgens haar als onrechtmatig aan te merken besluit haar verzoek om schadevergoeding zou moeten worden gekoppeld. Voorts heeft zij haar verzoek om schadevergoeding niet met concrete gegevens onderbouwd waaruit kan worden afgeleid dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden. De door appellante in algemene termen benoemde stress, spanning, frustratie en woede door ‘de algehele gang van zaken’ is daarvoor onvoldoende. Geheel ten overvloede en uitsluitend ter voorlichting van appellante tekent de Raad daarbij aan dat voor zover achteraf duidelijk mocht worden dat appellante bijvoorbeeld door een terugbetaling na een als onrechtmatig aan te merken besluit (belasting)schade heeft opgelopen, zij zich naar aanleiding daarvan alsnog met een onderbouwd verzoek om vergoeding van deze schade tot het Uwv kan wenden.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt voor zover aangevochten bevestigd. Dit betekent dat de invordering van het bedrag van € 6.150,54 vanwege de over de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 te veel ontvangen toeslag in stand blijft. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente en immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor eventueel door haar gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.Niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
2.CRvB 20 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1814.