ECLI:NL:CRVB:2026:192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep wegens appèlverbod
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam in een bestuursrechtelijke zaak. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de aangevallen uitspraak onder het appèlverbod valt zoals bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor hoger beroep niet mogelijk is.
Appellant voerde aan dat het appèlverbod doorbroken zou moeten worden vanwege schending van fundamentele rechtsbeginselen, waaronder het recht op toegang tot de rechter. De Raad stelt echter vast dat appellant in de verzetprocedure wel degelijk toegang tot de rechter heeft gehad en zijn standpunten heeft kunnen toelichten.
Verder constateert de Raad dat het verzoek om vrijstelling van griffierecht niet in het dossier aanwezig is en dat de rechtbank dit verzoek terecht heeft afgewezen wegens misbruik van recht. Appellant heeft dit oordeel niet bestreden. Ook de klacht over de anonieme rechter leidt niet tot doorbreking van het appèlverbod.
De Raad verklaart zich daarom kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het zonder verdere inhoudelijke behandeling af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens het appèlverbod en wijst het beroep af.