Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:191

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
24/2828 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring verzoek herziening

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin het verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak niet-ontvankelijk werd verklaard. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van hoger beroep tegen een niet-ontvankelijkverklaring van een verzoek om herziening, omdat deze uitspraak niet valt onder de reguliere beroepsmogelijkheden zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad verwijst naar vaste rechtspraak waarin is vastgesteld dat een niet-ontvankelijkverklaring van een verzoek om herziening een uitspraak is als bedoeld in titel 8.6 van de Awb, en niet onder afdeling 8.2.6 of artikel 8:86 Awb Pro valt. Hierdoor is de Raad kennelijk onbevoegd om het hoger beroep te behandelen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A.H. Hagendoorn-Huls, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot herziening.

Uitspraak

24/2828 PW, 24/2829 PW
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2024, 24/1963 en 24/1964 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

Met de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het verzoek van appellant tot herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2022 niet-ontvankelijk verklaard.
Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2804) volgt dat de Raad niet bevoegd is kennis te nemen van een hoger beroep dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een dergelijke uitspraak, inhoudende het niet-ontvankelijk verklaren van een verzoek om herziening, is immers geen uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, noch een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van Pro de Awb, of een daarmee op één lijn te stellen uitspraak ten gronde die volgt na een toewijzing van een verzoek om herziening, maar een uitspraak als bedoeld in titel 8.6 van de Awb.
De Raad is dan ook kennelijk onbevoegd om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.