ECLI:NL:CRVB:2026:190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring verzoek herziening
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin het verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak niet-ontvankelijk werd verklaard. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van vaste rechtspraak zij niet bevoegd is om kennis te nemen van hoger beroep tegen een niet-ontvankelijkverklaring van een verzoek om herziening zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad benadrukt dat een dergelijke niet-ontvankelijkverklaring geen uitspraak is als bedoeld in afdeling 8.2.6 of artikel 8:86 van Pro de Awb, maar valt onder titel 8.6 van de Awb. Hierdoor is de Raad kennelijk onbevoegd om het hoger beroep te behandelen en wordt het beroep zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A.H. Hagendoorn-Huls, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot herziening.