Appellant, met de Poolse nationaliteit, vroeg op 8 april 2022 studiefinanciering aan, waaronder een aanvullende beurs en een reisvoorziening. De minister wees deze aanvragen op 3 juni 2022 af. Appellant maakte bezwaar en klaagde op 2 november 2022 over het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. De minister legde op 30 december 2022 een dwangsom op wegens deze vertraging. Appellant stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig nemen van een beslissing.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit gedeeltelijk en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.674,-, gebaseerd op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, beide met wegingsfactor 1. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding had toegekend voor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, waarvoor een extra punt met wegingsfactor 0,5 zou moeten gelden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep slaagt omdat het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit een afzonderlijke proceshandeling is die een vergoeding verdient. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat deze vergoeding niet toekende en veroordeelde de minister tot betaling van €934,- aan proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €136,-.