ECLI:NL:CRVB:2026:160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens recht op WIA-uitkering bevestigd met schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellante was werkzaam als verzorgende en ontving vanaf 2017 een WW-uitkering, waarna zij zich ziek meldde. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid, maar stelde dit in 2024 alsnog vast. Appellante ontving vervolgens een Ziektewetuitkering die per 4 mei 2021 werd beëindigd omdat zij recht had op een WIA-uitkering.
Appellante stelde dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. Het UWV stelde dat zij op grond van artikel 21 ZW Pro niet meer verzekerd was voor de Ziektewet en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de ZW-uitkering had beëindigd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met acht maanden was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €1.000,- aan appellante. De Staat werd veroordeeld tot vergoeding van deze schade en proceskosten, terwijl het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak werd zonder zitting behandeld en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd en appellante ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.