ECLI:NL:CRVB:2026:160

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
23/489 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 ZWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens recht op WIA-uitkering bevestigd met schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Appellante was werkzaam als verzorgende en ontving vanaf 2017 een WW-uitkering, waarna zij zich ziek meldde. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid, maar stelde dit in 2024 alsnog vast. Appellante ontving vervolgens een Ziektewetuitkering die per 4 mei 2021 werd beëindigd omdat zij recht had op een WIA-uitkering.

Appellante stelde dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend en dat zij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. Het UWV stelde dat zij op grond van artikel 21 ZW Pro niet meer verzekerd was voor de Ziektewet en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de ZW-uitkering had beëindigd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden.

Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met acht maanden was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €1.000,- aan appellante. De Staat werd veroordeeld tot vergoeding van deze schade en proceskosten, terwijl het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak werd zonder zitting behandeld en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd en appellante ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

23/489 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/489 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 december 2022, 21/3671 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid (Staat)
Datum uitspraak: 18 februari 2026
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Daarna heeft mr. F. Sarrari, advocaat, zich als gemachtigde gesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Daarna hebben partijen stukken ingestuurd.
Appellante heeft verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten, en om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband daarmee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig acht en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna meegedeeld geen zitting te wensen. Daarna heeft de Raad de zaak niet op zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante, die tot 1 juli 2017 werkzaam was als verzorgende Individuele Gezondheidszorg voor 28 uur per week, ontving vanaf 18 juli 2017 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanuit de WW heeft zij zich op 24 augustus 2017 ziekgemeld. Bij besluit van 15 augustus 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellante per 22 augustus 2019 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar daartegen is bij het besluit van 25 februari 2020 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep, is door de rechtbank bij uitspraak van 6 januari 2021 (nr. 20/5841) ongegrond verklaard.
1.2.
Nadat appellante tegen die uitspraak van 6 januari 2021 hoger beroep (21/609 WIA) had ingesteld, heeft het Uwv bij besluit van 17 januari 2024 vastgesteld dat appellante vanaf 22 augustus 2019 alsnog recht heeft op een WIA-uitkering. Appellante heeft vervolgens het hoger beroep in de zaak 21/609 WIA ingetrokken. Bij uitspraak van 1 oktober 2025, [1] is de Staat veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en de daarmee samenhangende proceskosten en is het Uwv veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en de proceskosten van appellante.
1.3.
Vanuit de WW heeft appellante zich op 18 augustus 2020 ziekgemeld met psychische klachten. Vanaf 30 september 2020 ontving zij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 3 mei 2021 is appellante per 4 mei 2021 weer arbeidsgeschikt geacht en is haar ZW-uitkering beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 12 juli 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellante
2.1.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Zij heeft gesteld dat haar klachten onvoldoende zijn erkend, dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen en dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen.
Het standpunt van het Uwv
2.2.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante gelet op het besluit van 17 januari 2024 met ingang van 22 augustus 2019 recht heeft op een WIA-uitkering en geen procesbelang meer heeft bij het hoger beroep. Dat appellante op 4 mei 2021 recht heeft op een WIA-uitkering betekent volgens het Uwv dat zij op dat moment – mede gelet op artikel 21 van Pro de ZW – niet meer verzekerd was voor de ZW. Nu het hoger beroep voor appellante geen feitelijke betekenis heeft, is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
2.3.
Volgens appellante is haar hoger beroep wel ontvankelijk.

Het oordeel van de Raad

3.1.
Het Uwv heeft zich in hoger beroep terecht op het standpunt gesteld dat appellante op 4 mei 2021 op grond van artikel 21 van Pro de ZW niet als verzekerd voor die wet wordt beschouwd, omdat zij – gelet op het besluit van 17 januari 2024 – alsnog recht had op een WIA-uitkering. De ZW-uitkering is dus bij het bestreden besluit terecht geweigerd, zij het eerder op onjuiste gronden.
3.2.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van de gronden.
Overschrijding van de redelijke termijn
3.3.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.4.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [2] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
3.5.
Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 16 mei 2021 tot de datum van de uitspraak zijn vier jaar en (ongeveer) acht maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met acht maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-.
3.6.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2021 minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn niet is overschreden en dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-.
3.7.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met de indiening van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt, met een waarde per punt van € 934,-).
Proceskosten
3.8.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor verleende rechtsbijstand begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-). De reiskosten van appellante van € 12,40 voor de zitting in beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. De totale proceskostenveroordeling, bestaande uit kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en reiskosten, bedraagt alsdan € 2.814,40.
3.9.
Tevens dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.814,40;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 1 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1473.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.