ECLI:NL:CRVB:2026:143

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
23/858 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 4:5 AwbRegeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren art. 3 lid 5 sub c
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor beheerskosten persoonsgebonden budget bij zorg in natura mogelijk

Appellante, met een licht verstandelijke beperking, vroeg bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van haar persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het college stelde de aanvraag buiten behandeling wegens onvoldoende onderbouwing van de noodzaak van zorg via een pgb. De rechtbank vernietigde dit besluit en wees de aanvraag inhoudelijk af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij was aangewezen op zorg via een pgb en dat zorg in natura (ZIN) voor haar niet passend was.

Appellante voerde aan dat zij vanwege een langdurig traject met vaste begeleiders geen keuze had tussen ZIN en pgb, en dat overstappen tot stagnatie of terugval zou leiden. De Raad oordeelde dat de kosten van beheer van een pgb geen noodzakelijke kosten zijn als die vermijdbaar zijn doordat de betrokkene had kunnen kiezen voor ZIN. Het overgelegde verslag van de ambulante begeleider toonde niet aan dat begeleiding niet via ZIN mogelijk was of dat overstappen tot nadelige gevolgen zou leiden.

De Raad benadrukte dat het enkele feit dat appellante een pgb heeft en dat de kantonrechter toestemming gaf voor beheerskosten, niet betekent dat het pgb noodzakelijk is. Appellante had onvoldoende controleerbare gegevens aangeleverd om haar stelling te onderbouwen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en bleef de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand in stand.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor beheerskosten van het pgb wordt bevestigd omdat zorg in natura mogelijk is en het pgb niet noodzakelijk is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/858 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 31 januari 2023, 21/1824 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)
Datum uitspraak: 10 februari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het college heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld en dat besluit na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de aanvraag wordt afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is aangewezen op zorg die wordt ingekocht met een pgb en daarom geen sprake is van noodzakelijke kosten. Appellante vindt dat de kosten wel noodzakelijk zijn omdat zorg in natura (ZIN) voor haar niet passend is. Appellante krijgt geen gelijk. Het hoger beroep slaagt niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.I.T. Sopacua, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Met een brief van 24 juni 2024 (regiebrief) heeft de Raad de zaak uiteen gezet, het college vragen gesteld en appellante gevraagd op welke wijze zij haar standpunt kan onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens. Het college heeft de vragen uit de regiebrief beantwoord met een brief van 10 juli 2024. Appellante heeft – na desgevraagd verleend uitstel – niet inhoudelijk gereageerd op de brief en de daarin aan haar gestelde vraag.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is in 1982 geboren op Curaçao en heeft een licht verstandelijke beperking. Zij is in 2001 samen met haar moeder naar Nederland gekomen. Tussen 2005 en 2010 heeft appellante zelfstandig gewoond met tweemaal per week begeleiding. Vanaf januari 2010 tot augustus 2011 is zij vrijwillig opgenomen geweest. Daarop aansluitend is appellante begeleid gaan wonen. Sinds 2020 woont zij weer zelfstandig. Zij krijgt gespecialiseerde ambulante begeleiding op basis van een pgb op grond van de Wlz.
1.2.
Appellante heeft tussen 1 maart 2019 en 1 augustus 2021 onder beschermingsbewind gestaan bij [naam B.V.] (bewindvoerder). Op 21 augustus 2019 heeft de kantonrechter de bewindvoerder toestemming verleend tot het bij appellante in rekening brengen van kosten voor beheer van het pgb, zoals bedoeld in artikel 3, vijfde lid, aanhef en sub c van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
1.3.
Op 14 september 2020 heeft de bewindvoerder namens appellante een aanvraag om bijzondere bijstand gedaan voor de kosten van beheer van het pgb voor een bedrag van € 51,22 per maand (€ 614,64 over het jaar 2020).
1.4.
Het college heeft appellante met brieven van 21 oktober 2020 en 6 november 2020 en met een telefoongesprek op 23 november 2020 gevraagd om gegevens over te leggen waaruit blijkt dat zij is aangewezen op zorg in de vorm van een pgb. De bewindvoerder van appellante heeft met brieven van 23 oktober 2020 en 10 november 2020 informatie verstrekt.
1.5.
Met een besluit van 11 februari 2021, na bezwaar gehandhaafd met het besluit van 23 juni 2021 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet alle benodigde en gevraagde informatie heeft overgelegd. Appellante heeft namelijk geen gegevens over de noodzaak van zorg in de vorm van het pgb overgelegd, althans uit de aangeleverde gegevens blijkt die noodzaak niet.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door de aanvraag van appellante op inhoudelijke gronden af te wijzen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld omdat het besluit niet binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of de daarvoor verstrekte termijn ongebruikt is verstreken is genomen. Dat is in strijd met artikel 4:5, vierde lid, van de Awb. Het college is dan niet meer bevoegd om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Het college heeft echter in de besluitvorming ook een inhoudelijk afwijzend standpunt ingenomen. De rechtbank onderschrijft dat standpunt. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen recht op de gevraagde bijzondere bijstand omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is aangewezen op zorg in de vorm van een pgb, en dat ZIN voor haar niet mogelijk is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de in de aangevallen uitspraak opgenomen beslissing tot afwijzing van de aanvraag in stand blijft aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie beoordelingsruimte.
4.2.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.3.
Niet in geschil is dat de hier in geding zijnde kosten zich voordoen. In geschil is alleen of die kosten noodzakelijk waren.
4.4.
Appellante voert aan dat de kosten noodzakelijk zijn omdat zij feitelijk geen keuze heeft tussen ZIN of zorg in de vorm van een pgb. Zij volgt al jaren een traject met vaste hulpverleners. Dat heeft ertoe geleid dat zij zelfstandig is gaan wonen. Juist daarom heeft zij behoefte aan begeleiding door mensen die haar al jaren kennen, die haar geholpen hebben om te komen waar ze nu is en die zij vertrouwt. Anders dan in de uitspraak van 21 mei 2015, [2] gaat het in haar geval om een bestaand medisch traject met een vast en vertrouwd team van zorgverleners. De zorg is dus al in een vergevorderd stadium. Uit het feit dat aan haar een pgb is toegekend blijkt dat zij dit nodig heeft en dat blijkt ook uit de toestemming die de kantonrechter heeft gegeven voor het in rekening brengen van de beheerskosten. Overstappen naar ZIN leidt tot een verandering van zorgverlener, wat tot gevolg zou kunnen hebben dat de situatie van appellante stagneert of dat zij zelfs een terugval krijgt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.4.1.
De Raad heeft onlangs zijn vaste rechtspraak over bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van een pgb bevestigd. [3] Deze vaste rechtspraak houdt in dat de kosten van beheer van een pgb geen noodzakelijke kosten zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW, wanneer die kosten vermijdbaar zijn omdat de betrokkene had kunnen kiezen voor ZIN en daarom niet was aangewezen op een pgb. [4]
4.4.2.
Appellante heeft in het kader van de aanvraagprocedure een (ongedateerd en ongetekend) verslag van haar gespecialiseerde ambulante begeleider overgelegd. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, wordt in dat verslag een overzicht gegeven van de voorgeschiedenis van appellante, haar diagnose, haar psychisch, lichamelijk, sociaal en praktisch functioneren, haar dagbesteding en haar financiën. Hoewel op basis van dat verslag voorstelbaar is dat begeleiding voor appellante nodig is, blijkt daaruit niet dat de benodigde begeleiding niet via ZIN plaats zou kunnen vinden, en ook niet dat ZIN een verandering van zorgverlener zou betekenen met stagnatie of een terugval tot gevolg. Gesteld noch gebleken is dat appellante onderzoek heeft gedaan naar andere oplossingsmogelijkheden dan begeleiding die wordt ingekocht met een pgb.
4.4.3.
De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat het enkele feit dat betrokkene een vertrouwensband heeft met een begeleider bovendien nog niet maakt dat zorgverlening door deze begeleider, met een pgb, noodzakelijk is. De noodzaak voor een pgb blijkt ook niet uit de toestemming van de kantonrechter voor het in rekening brengen van de beheerkosten van het pgb door de bewindvoerder, of uit de in beroep overgelegde toekenningsbeschikking van het Zorgkantoor voor pgb over het jaar 2020. Het gaat hier immers niet om de vraag of het beheren van het pgb in het geval van appellante noodzakelijk was, maar om de vraag of het pgb zelf noodzakelijk was. Die noodzaak staat met de toekenningsbeschikking nog niet vast. Daarom kan het enkele feit dat appellante een pgb heeft en de kosten voor het beheren van dit pgb na toestemming van de kantonrechter in rekening worden gebracht er niet toe leiden dat het college bijzondere bijstand voor de beheerkosten had moeten verlenen.
4.4.4.
Appellante heeft haar stelling dat zorg in de vorm van een pgb voor haar noodzakelijk is, in hoger beroep verder niet nader met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd, ondanks dat haar met de regiebrief expliciet de mogelijkheid daartoe is geboden.
4.5.
Uit 4.4.1 tot en met 4.4.4 volgt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat ZIN voor haar niet mogelijk was en dat zij was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb. Er is dan ook geen sprake van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Dit betekent dat appellante geen recht heeft op de gevraagde bijzondere bijstand.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
3.Zie de uitspraak van 21 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1566.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1654.