ECLI:NL:CRVB:2026:143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor beheerskosten persoonsgebonden budget bij zorg in natura mogelijk
Appellante, met een licht verstandelijke beperking, vroeg bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van haar persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het college stelde de aanvraag buiten behandeling wegens onvoldoende onderbouwing van de noodzaak van zorg via een pgb. De rechtbank vernietigde dit besluit en wees de aanvraag inhoudelijk af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij was aangewezen op zorg via een pgb en dat zorg in natura (ZIN) voor haar niet passend was.
Appellante voerde aan dat zij vanwege een langdurig traject met vaste begeleiders geen keuze had tussen ZIN en pgb, en dat overstappen tot stagnatie of terugval zou leiden. De Raad oordeelde dat de kosten van beheer van een pgb geen noodzakelijke kosten zijn als die vermijdbaar zijn doordat de betrokkene had kunnen kiezen voor ZIN. Het overgelegde verslag van de ambulante begeleider toonde niet aan dat begeleiding niet via ZIN mogelijk was of dat overstappen tot nadelige gevolgen zou leiden.
De Raad benadrukte dat het enkele feit dat appellante een pgb heeft en dat de kantonrechter toestemming gaf voor beheerskosten, niet betekent dat het pgb noodzakelijk is. Appellante had onvoldoende controleerbare gegevens aangeleverd om haar stelling te onderbouwen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en bleef de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor beheerskosten van het pgb wordt bevestigd omdat zorg in natura mogelijk is en het pgb niet noodzakelijk is.