ECLI:NL:CRVB:2026:142

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
24/2200 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 AwbArt. 4:14 AwbArt. 4:17 AwbArt. 7:10 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep bevestigt dwangsommen wegens niet tijdig beslissen op bezwaren jeugdhulp

Appellanten hadden beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen en bezwaren om jeugdhulp bij het college van burgemeester en wethouders van Breda. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en wees het verzoek tot schadevergoeding af. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren werden eveneens niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college inmiddels een besluit op bezwaar had genomen. De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestellingen prematuur waren en stelde geen dwangsom vast.

In hoger beroep wijzigde het college zijn standpunt over de beslistermijn en erkende dat het niet tijdig had beslist op de bezwaren. De Raad oordeelde dat de ingebrekestellingen niet prematuur waren en dat het college aan appellanten dwangsommen verschuldigd was. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat geen dwangsom toekende voor het niet tijdig beslissen op de bezwaren en bevestigde het overige.

De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af omdat appellanten onvoldoende schade hadden onderbouwd en stelde vast dat het college tweemaal een dwangsom van €742,- vermeerderd met wettelijke rente aan ieder van appellanten moet betalen. Tevens werd het in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellanten vergoed.

Uitkomst: De Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat geen dwangsom toekent voor niet tijdig beslissen op bezwaren en bevestigt het overige; het college moet tweemaal een dwangsom van €742 plus rente betalen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 augustus 2024, 23/3441, 23/3442, 24/1656 en 24/1657 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] , appellant, en [appellante] , appellante te [woonplaats] ; tezamen appellanten
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 21 januari 2026

SAMENVATTING

In deze zaken oordeelt de Raad dat de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen van appellanten om jeugdhulp terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen. De Raad oordeelt verder dat het in hoger beroep gewijzigde standpunt van het college over de lengte van de beslistermijn in bezwaar betekent dat het college niet tijdig heeft beslist op de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 15 augustus 2023, dat de ingebrekestellingen van 22 december 2023 niet prematuur zijn ingediend en dat het college aan appellanten dwangsommen verschuldigd is. Het college heeft de termijn waarover de dwangsommen zijn verschuldigd juist berekend. Anders dan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voorziet de Jeugdwet niet in een aanvraagprocedure die afwijkt van de hierover in de Awb opgenomen bepalingen.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft hun ouder en wettelijk vertegenwoordiger [naam ouder] (ouder), hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Voor appellanten is verschenen hun ouder, die via videobellen aan de zitting heeft deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door L.G.M. Weber-Geboers en C.L. Verbunt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
24/2200 en 24/2201
1.1.
Namens appellanten heeft hun ouder op 22 februari 2023 haar contactpersoon bij de gemeente Breda gemaild met het verzoek om een gesprek in te plannen. Op 7 maart 2023 heeft bij appellanten thuis een gesprek plaatsgevonden tussen appellanten en het college. Appellanten hebben het college op 9 mei 2023 in gebreke gesteld vanwege het te laat beslissen op hun aanvragen om jeugdhulp. Hierbij is aanspraak gemaakt op dwangsommen.
1.2.
Op 21 juni 2023 hebben appellanten bij de rechtbank beroep ingesteld omdat het college niet tijdig heeft beslist op hun aanvragen.
24/2202 en 24/2203
1.3.
Bij besluiten van 15 augustus 2023 heeft het college de ingebrekestellingen nietontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een aanvraag op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellanten hebben op 22 september 2023 bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Op 2 november 2023 heeft het college de beslistermijn op de bezwaarschriften verlengd met zes weken.
1.4.
Appellanten hebben het college op 22 december 2023 in gebreke gesteld vanwege het te laat beslissen op hun bezwaren tegen de besluiten van 15 augustus 2023.
1.5.
Bij besluit op bezwaar van 1 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 15 augustus 2023 ongegrond verklaard. De reden is dat volgens lokale regelgeving een ondertekend ondersteuningsplan of een evaluatieverslag wordt aangemerkt als aanvraag als de jeugdige en/of zijn ouders dat op het ondersteuningsplan hebben aangegeven. Daaraan is niet voldaan dus is er geen aanvraag.
1.6.
Op 4 februari 2024 hebben appellanten bij de rechtbank beroep ingesteld omdat het college niet tijdig heeft beslist op hun bezwaren.
1.7.
Op 27 februari 2024 heeft het college nogmaals het besluit op bezwaar van 1 februari 2024 aan appellanten toegestuurd, ditmaal per aangetekende post.
1.8.
Op 13 oktober 2023 heeft de rechtbank geoordeeld kennelijk onbevoegd te zijn omdat er geen aanvraag is. Appellanten hebben verzetschriften ingediend en daarbij door het college opgestelde ondersteuningsplannen van 16 augustus 2023 overgelegd en een beroep gedaan op rechtspraak over de aan een aanvraag te stellen eisen. [1] Het college heeft vastgehouden aan het standpunt dat geen aanvraag is ingediend omdat de ondersteuningsplannen niet zijn ondertekend. De rechtbank heeft op 21 februari 2024 de verzetten gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het ontbreken van een ondertekend ondersteuningsplan niet betekent dat er geen aanvraag is ingediend. Een ondertekend ondersteuningsplan is niet vereist voor een aanvraag in het kader van jeugdhulp. Van de aanvraagprocedure in de Awb kan alleen worden afgeweken bij wet in formele zin en niet bij gemeentelijke verordening. Anders dan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voorziet de Jeugdwet niet in een aanvraagprocedure die afwijkt van de hierover in de Awb opgenomen bepalingen. Het college heeft gewezen op artikel 4:4 van Pro de Awb, dat een bepaling bevat over het aanvraagformulier. Voor zover het college daarmee bedoelt te betogen dat het ondersteuningsplan als aanvraagformulier moet worden gezien, volgt de rechtbank dit niet omdat het ondersteuningsplan tot stand komt door onderzoek van het college en niet door de aanvrager zelf kan worden ingevuld. De aanvraagprocedure zoals in de Verordening en de Nadere regels is opgenomen, is dan ook in strijd met de Awb. Artikel 3.6, eerste lid, van de Verordening en artikel 3.5, eerste lid, van de Nadere regels missen bindende kracht wegens strijd met de wet en deze bepalingen moeten in dit geval buiten toepassing worden gelaten, aldus de rechtbank. De rechtbank zal nog moeten beoordelen of en, zo ja, wanneer er sprake was van een aanvraag. Daar is meer onderzoek voor nodig, aldus de rechtbank.
1.9.
Gedurende de procedures bij de rechtbank heeft het college zijn standpunt gewijzigd en de rechtbank gevolgd in bovenstaand oordeel en erkend dat wel aanvragen om jeugdhulp zijn ingediend: niet met het e-mailbericht van 22 februari 2023 maar wel tijdens het huisbezoek op 7 maart 2023. Gelet op het ontbreken van een beslistermijn in de Jeugdwet had het college hierop moeten beslissen binnen acht weken [2] en dus uiterlijk op 2 mei 2023. Dat is ten onrechte niet gebeurd. De ingebrekestellingen van 9 mei 2023 zijn daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard bij de besluiten van 15 augustus 2023. Het college is tweemaal de maximale dwangsom verschuldigd van € 1.442,-. [3] Inmiddels geldt voor appellanten een kinderbeschermingsmaatregel. Daardoor is de bevoegdheid tot het bepalen van jeugdhulp overgegaan naar de gecertificeerde instelling en is het college niet meer bevoegd om alsnog besluiten te nemen op de aanvragen, aldus het college.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen om jeugdhulp niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellanten geen procesbelang meer hebben bij deze beroepen. Er kan namelijk geen jeugdhulp met terugwerkende kracht worden verstrekt over een afgesloten periode in het verleden. Appellanten hebben ook geen onderbouwd verzoek om schadevergoeding gedaan en niet gesteld of gebleken is dat een inhoudelijk oordeel van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarbij is ook van belang dat appellanten inmiddels allebei onder toezicht zijn gesteld. De gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstellingen uitvoert, bepaalt welke jeugdhulp is aangewezen. Onder verwijzing naar de nadere standpuntbepaling van het college in beroep over de ingebrekestellingen van 9 mei 2023 heeft de rechtbank bepaald dat het college tweemaal de maximale dwangsom van € 1.442,- aan appellanten dient te vergoeden, vermeerderd met de – ter zitting namens appellanten gevorderde – wettelijke rente.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren nietontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college inmiddels de beslissing op bezwaar van 1 februari 2024 heeft genomen. Daardoor bestaat in zoverre geen belang meer bij de beroepen tegen het niet tijdig beslissen. Appellanten hebben nog wel belang bij hun beroepen voor zover deze zijn gericht op het vaststellen van een dwangsom. De rechtbank heeft – kort samengevat – geoordeeld dat de ingebrekestellingen prematuur waren. Uit artikel 8:55c van de Awb volgt dat dan geen dwangsom vastgesteld kan worden. De rechtbank heeft verder het besluit op bezwaar van 1 februari 2024 bij de beoordeling betrokken en – onder verwijzing naar de nadere standpuntbepaling van het college – de beroepen tegen dat besluit gegrond verklaard en de primaire besluiten van 15 augustus 2023 herroepen. Het college hoeft geen nieuwe besluit meer te nemen nu al is vastgesteld dat tweemaal de maximale dwangsom van € 1.442,- is verbeurd.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank weergegeven in 1.8 en beoordeelt vervolgens of de rechtbank terecht de beroepen tegen niet tijdig beslissen op de aanvragen en de beroepen tegen niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 15 augustus 2023 niet-ontvankelijk heeft verklaard aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad beoordeelt ook of de rechtbank terecht de dwangsommen heeft vastgesteld op het door de rechtbank bepaalde bedrag en of de rechtbank terecht heeft overwogen dat geen dwangsom kon worden vastgesteld omdat de ingebrekestellingen van 22 december 2023 voor het einde van de beslistermijn zijn ingediend. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen gedeeltelijk slagen. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
24/2200 en 24/2201 JW
Zoals de Raad eerder heeft overwogen [4] is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
4.1.
De rechtbank heeft met inachtneming van de bij 4.1 genoemde vaste rechtspraak met juistheid geoordeeld dat de beroepen van appellanten tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen om jeugdhulp niet-ontvankelijk zijn vanwege het ontbreken van procesbelang. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust en verwijst daarnaar en voegt daaraan toe dat wat appellanten hebben aangevoerd over de verbindendheid van de gemeentelijke regelgeving een louter formeel of principieel belang betreft.
4.2.
De Raad wijst verder het verzoek van appellanten om de schade te vergoeden als gevolg van de uitgebleven besluitvorming af. Het college heeft onweersproken gesteld dat appellanten in de periode in geding jeugdhulp hebben ontvangen. Voor het overige hebben appellanten niet geconcretiseerd welke schade er is geleden.
4.3.
Het betoog van appellanten dat het college heeft nagelaten de wettelijke rente over de verbeurde dwangsommen te vergoeden slaagt niet. Het college heeft in hoger beroep de wettelijke rente opnieuw berekend en het verschil met wat eerder al was uitbetaald, nabetaald.
4.4.
Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 betekent dat aangevallen uitspraak juist is voor wat betreft de beroepen tegen niet tijdig beslissen op de aanvragen en de bepaling van de dwangsommen vermeerderd met de wettelijke rente.
24/2202 en 24/2203
4.5.
Deze hoger beroepen van appellanten zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het niet verschuldigd zijn van een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 15 augustus 2023.
4.6.
In het verweerschrift heeft het college zijn standpunt over de duur van de beslistermijn gewijzigd. De bezwaartermijn liep af op 26 september 2023. Het college heeft appellanten gevolgd in hun standpunt dat de beslistermijn zes weken bedroeg in plaats van twaalf weken, zodat dit tussen partijen niet langer in geschil is. Het college heeft de beslistermijn op 2 november 2023 rechtsgeldig verdaagd met zes weken. Dit betekent dat de totale termijn voor de beslissing op bezwaar twaalf weken bedroeg. Op 19 december 2023 was deze beslistermijn verlopen. De ingebrekestellingen die appellanten op 22 december 2023 hebben verzonden, zijn daarom niet prematuur verzonden. Het college is daardoor aan beide appellanten een dwangsom verschuldigd. Volgens het college bedraagt de hoogte van de dwangsom voor iedere appellant afzonderlijk € 742,- te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.7.
Dit gewijzigde standpunt van het college betekent dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het college niet tijdig heeft beslist op de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 15 augustus 2023, dat de ingebrekestellingen van 22 december 2023 – anders dan de rechtbank heeft overwogen – niet prematuur zijn ingediend en dat het college aan appellanten dwangsommen verschuldigd was.
4.8.
Appellanten hebben betoogd dat met het ondersteuningsplan van 16 augustus 2023 de bezwaarprocedure is aangevangen en dat gemachtigde van appellanten in september 2023 mondeling bezwaar heeft gemaakt. De Raad begrijpt dit betoog aldus dat appellanten menen dat eerder dan 19 december 2023 de beslistermijn was verlopen. Dit betoog slaagt niet. Gelet op de tekst van artikel 7:10, eerste lid, Awb is het voor de beslistermijn niet van belang op welk moment appellanten bezwaar hebben gemaakt. De beslistermijn van zes dan wel twaalf weken wordt immers berekend “…vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.” Gelet op de datum van de besluiten van 15 augustus 2023 is het college terecht ervan uitgegaan dat de bezwaartermijn eindigde op 26 september 2023.
4.9.
Gemachtigde van appellanten heeft ter zitting aangevoerd dat het college de dwangsom ten onrechte heeft berekend tot de datum van de besluiten van 1 februari 2024. Ook dit betoog slaagt niet. Gemachtigde van appellanten heeft de verzending en ontvangst van de besluiten van 1 februari 2024 niet weersproken maar ter zitting uitsluitend gesteld dat zij deze pas op 6 februari 2024 heeft ontvangen en gelezen. Dit betekent dat voor de laatste dag waarop de dwangsommen verschuldigd zijn van verzending op 1 februari 2024 kan worden uitgegaan.
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspaak niet in stand kan blijven, omdat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat appellanten geen recht hadden op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. De Raad zal de verschuldigdheid van het college tot betaling van een bedrag van € 742,- vermeerderd met de wettelijke rente, aan iedere appellant afzonderlijk vaststellen.
4.11.
Wat appellanten voor het overige hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

4.12.
Het hoger beroep slaagt dus ten dele. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten voor de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren een dwangsom vast te stellen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor het overige, voor zover aangevochten. Dit betekent dat het niet-ontvankelijk verklaren van de beroepen tegen niet tijdig beslissen op de aanvraag in stand blijft.
5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Omdat de hoger beroepen deels slagen, krijgen appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft nagelaten voor de beroepen niet tijdig beslissen op de bezwaren een dwangsom vast te stellen;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;
  • bepaalt dat het college tweemaal een dwangsom van € 742,00 vermeerderd met wettelijke rente vergoedt aan ieder van appellanten afzonderlijk;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 276,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:13
1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.
Artikel 4:14
1. Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuursorgaan na het verstrijken van de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet langer bevoegd is.
3. Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Artikel 8:55c
Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8:108
1. Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74.
2. Op het hoger beroep, bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder c, zijn voorts de afdelingen 8.2.2a, 8.2.4a en 8.2.7 en de artikelen 8:28a, 8:70 en 8:72 niet van toepassing.
3. Indien hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof, is voorts hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing.

Voetnoten

2.Het college heeft hierbij verwezen naar artikel 4:13 en Pro 4:14 van de Awb.
3.Het college heeft hierbij verwezen naar artikel 4:17 van Pro de Awb.
4.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.