In deze zaak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B. van Dijk, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Pekela tot terugvordering van bijstand in stand is gebleven. Op 4 april 2025 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken, omdat het college op 17 februari 2025 gedeeltelijk aan hem tegemoet is gekomen. Appellant verzocht de Raad om het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft een verweerschrift ingediend en het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten.
De Raad overweegt dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan op verzoek van de indiener van het beroepschrift kan worden veroordeeld in de kosten, indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener is tegemoetgekomen. Het college stelde dat er geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van deze bepaling, omdat het besluit tot terugvordering niet was herzien of ingetrokken. De Raad oordeelt echter dat het college met het besluit van 17 februari 2025 wel degelijk gedeeltelijk aan appellant is tegemoetgekomen, en dat dit niet als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt die een uitzondering op de regel rechtvaardigt.
De Raad beslist dat het college in de proceskosten van appellant moet worden veroordeeld tot een bedrag van € 934,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier, en is openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.