Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Pekela tot terugvordering van bijstand. Het hoger beroep werd ingetrokken nadat het college met een besluit van 17 februari 2025 gedeeltelijk aan appellant was tegemoetgekomen door de openstaande schuld te halveren en het restant buiten invordering te stellen.
Het college betoogde dat geen proceskostenveroordeling op zijn plaats was omdat het besluit een coulancegebaar betrof en geen erkenning van onjuistheid van het oorspronkelijke besluit. De Raad verwierp dit standpunt en stelde dat een verzoek om proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a Awb in beginsel moet worden toegewezen wanneer het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen.
De Raad oordeelde dat de gedeeltelijke tegemoetkoming voldoende was om het verzoek toe te wijzen en dat geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering rechtvaardigden. De proceskosten werden begroot op € 934,- en het college werd veroordeeld tot betaling hiervan.