ECLI:NL:CRVB:2026:134
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep tegen UWV-besluit
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een besluit van het UWV. Nadat het UWV gewijzigde beslissingen op bezwaar had genomen, trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten.
De Raad stelde vast dat de rechtbank het UWV reeds had veroordeeld tot vergoeding van kosten in beroep en dat in de gewijzigde beslissing op bezwaar de kosten in bezwaar al waren vergoed. Hierdoor bleef alleen de beoordeling van de in hoger beroep gemaakte kosten over.
De Raad oordeelde dat het UWV de proceskosten van appellant, begroot op € 934,-, en het betaalde griffierecht van € 143,- moest vergoeden. De zaak werd zonder zitting behandeld omdat partijen geen zitting wensten.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 februari 2026 en betreft een proceskostenveroordeling conform de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- en het griffierecht van € 143,- na intrekking van het hoger beroep.