ECLI:NL:CRVB:2026:1
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring verzoek om herziening in sociale zekerheidszaak
In deze zaak heeft appellante verzet ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar verzoek om herziening van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De Raad had het verzoek op 8 juli 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante het verschuldigde griffierecht niet had betaald en niet aannemelijk kon maken dat zij niet in verzuim was.
Appellante voerde aan dat zij geen griffierecht verschuldigd was omdat zij in eerdere procedures een vrijstelling had gekregen. De Raad oordeelde echter dat op grond van artikel 8:119, derde lid, Awb het griffierecht voor het herzieningsverzoek gelijk is aan dat voor het hoger beroep ten tijde van de indiening, ongeacht eerdere vrijstellingen.
Verder stelde appellante dat er geen wettelijke grondslag is voor een beroep op betalingsonmacht en dat zelfstandige ondernemers onvoldoende rekening houden met hun inkomenssituatie. De Raad verwierp dit en stelde dat zelfstandigen hun betalingsonmacht kunnen aantonen, zoals appellante eerder ook had gedaan.
De Raad vond geen aanleiding om de eerdere uitspraak te herzien en verklaarde het verzet ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard.