ECLI:NL:CRVB:2026:1
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van herzieningsverzoek in bestuursrechtelijke procedure
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 12 januari 2026 uitspraak gedaan over het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar verzoek om herziening van een eerdere uitspraak. De Raad had in een eerdere uitspraak op 8 juli 2025 geoordeeld dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk was omdat appellante het verschuldigde griffierecht niet had betaald. Appellante voerde in verzet aan dat zij geen griffierecht verschuldigd was, omdat zij in haar hoger beroepsprocedure een vrijstelling had gekregen. De Raad oordeelde echter dat het griffierecht voor een herzieningsverzoek gelijk is aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Aangezien het herzieningsverzoek op 8 juni 2024 was ingediend, was appellante een griffierecht van € 138,- verschuldigd. De Raad verwierp ook appellantes argument dat er geen wettelijke grondslag voor betalingsonmacht zou zijn en dat zelfstandige ondernemers moeilijk hun betalingsonmacht kunnen aantonen. De Raad concludeerde dat appellante in eerdere procedures succesvol een beroep op betalingsonmacht had gedaan, wat haar huidige argumentatie ondermijnde. Uiteindelijk verklaarde de Raad het verzet ongegrond en gaf geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.